ECLI:NL:PHR:2006:AX9420
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheid dagvaarding en redelijke termijn bij verstekveroordeling wegens overtreding Opiumwet
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een verstekarrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. Het eerste middel klaagt over de geldigheid van de dagvaarding en oproeping in eerste aanleg, het tweede middel betreft de overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad stelt vast dat een klacht over de dagvaarding niet voor het eerst in cassatie kan worden ingebracht indien de verdediging eerder de gelegenheid had dit aan de feitenrechter voor te leggen. Daarnaast is onderzocht of de dagvaarding rechtsgeldig is betekend, waarbij bleek dat verdachte sinds 1999 niet meer in Nederland stond ingeschreven en geen bekend verblijfadres had. De betekening vond plaats via griffier omdat geen woon- of verblijfplaats bekend was.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het Openbaar Ministerie voldoende voortvarendheid betrachtte bij de verstekmededeling, ondanks dat deze pas ruim twee jaar na het arrest in persoon aan verdachte is uitgereikt. Dit wordt verklaard doordat verdachte geen adres in Nederland of het buitenland had. Het beroep wordt verworpen omdat geen schending van de redelijke termijn is vastgesteld en de dagvaarding geldig is, ondanks dat het hof niet alle onderzoeksplichten volledig heeft vervuld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de dagvaarding is rechtsgeldig en de redelijke termijn is niet overschreden.