1 Zie p. 1/2 van de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 juni 2004 en de bestreden beschikking van het hof 's-Gravenhage van 7 september 2005, onder "vaststaande feiten".
2 Zie p. 2 van de beschikking van de rechtbank. Bij haar verweerschrift had de vrouw gevraagd de man tot een aanzienlijk hoger bedrag ter zake van achterstallige indexeringen te veroordelen, maar blijkens het gestelde op p. 3 van het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank heeft de vrouw bij die gelegenheid nog slechts op veroordeling van de man tot betaling van een bedrag van € 1.000, exclusief BTW, ter zake van buitengerechtelijke kosten aanspraak gemaakt.
3 Het verzoekschrift is, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, op 6 december 2005 ter civiele griffie van de Hoge Raad ingekomen.
4 Over het jaar waarin de vrouw weer is gaan werken, bestaat enige onduidelijkheid. Partijen hebben in dit verband zowel 1991 (verzoekschrift in appel onder 11, 13; de vermelding "datum in dienst" op de jaaropgaven van de vrouw die op 14 april 2004 in eerste aanleg zijn overgelegd; brief van de man naar aanleiding van door de vrouw overgelegde stukken van 23 april 2004, onder 1 (prod. E bij het verzoekschrift in appel)), als 1992 (verweerschrift in appel onder 15, 22, 24) en 1994 (verweerschrift in eerste aanleg onder 3, p. 3; aantekeningen mondelinge behandeling in eerste aanleg zijdens de man onder 15) genoemd.
5 Volgens de bepaling wordt "in ieder geval" met de genoemde aspecten rekening gehouden. Zie ook EK 1993-1994, 22 170, nr. 109a, p. 5.
6 Vgl. recent de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense voor HR 10 februari 2006, R04/111HR, LJN: AU5278, RvdW 2006, 185, onder 7; en de conclusie van A-G Timmerman voor HR 13 mei 2005, LJN AS5956, onder 2.2.
7 HR 11 juni 1982, NJ 1983, 595 en 596, m.nt. EAAL, rov. 3.2; HR 14 december 1984, NJ 1985, 493, rov. 3; HR 12 december 1986, NJ 1987, 625, rov. 3.2; HR 22 januari 1993, NJ 1993, 233, rov. 3.2.
8 Terzijde wordt opgemerkt dat dergelijke hoge motiveringseisen niet kunnen worden gesteld aan een beslissing waarbij de bijdrage in het levensonderhoud niet (praktisch) definitief wordt beëindigd, maar die een opnihilstelling van de bijdrage inhoudt; HR 5 november 2004, NJ 2005, 3, rov. 3.5, met verdere verwijzingen in voetnoot 10 van de conclusie van A-G Verkade. Ook onder het oude recht gold deze regel; HR 28 februari 1992, NJ 1992, 442, rov. 3.1.
9 HR 26 maart 1999, NJ 1999, 653, 654 en 655 m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 1999, 655, rov. 3.4 (NJ 1999, 653) resp. rov. 3.3 (NJ 1999, 654 en 655); HR 22 oktober 1999, NJ 1999, 784, rov. 3.6; HR 29 oktober 1999, NJ 2000, 62, rov. 3.3.1.
10 Ter illustratie kan worden gewezen op HR 28 januari 2000, NJ 2000, 392, m.nt. S.F.M. Wortmann.
11 HR 26 maart 1999, NJ 1999, 654, m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 1999, 655, rov. 3.3; HR 29 oktober 1999, NJ 2000, 62, rov. 3.3.2; HR 28 januari 2000, NJ 2000, 392, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.4.
12 HR 26 maart 1999, NJ 1999, 653, m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 1999, 655, rov. 3.5; HR 26 maart 1999, NJ 1999, 654 en 655, m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 1999, 655, rov. 3.3; HR 28 januari 2000, NJ 2000, 392, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.4. Zie ook EK 1993-1994, 22 170, nr. 109a, p. 4/5.
13 HR 26 maart 1999, NJ 1999, 654, m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 1999, 655, rov. 3.3; HR 5 september 2003, NJ 2003, 618, rov. 3.4-3.5. Zoals ook Wortmann in haar noot onder NJ 1999, 655, onder 3, slot, opmerkt, verschilt deze regel van de bij limiteringsbeslissingen van vóór invoering van de Wet limitering alimentatie geldende regel dat de alimentatieplichtige de bijzondere omstandigheden die limitering zouden kunnen rechtvaardigen, had aan te voeren; vgl. HR 11 juni 1982, NJ 1983, 595 en 596, m.nt. EAAL.
14 Dit verschil dient te worden afgemeten aan de actuele inkomenspositie van de gerechtigde vóór beëindiging van de bijdrage in het levensonderhoud en die waarin hij of zij als gevolg van die beëindiging zal komen te verkeren; HR 26 maart 1999, NJ 1999, 655, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.4; conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense voor HR 28 januari 2000, NJ 2000, 392, m.nt. S.F.M. Wortmann, onder 9.
15 HR 26 maart 1999, NJ 1999, 654, m.nt. S.F.M. Wortmann onder NJ 1999, 655, rov. 3.3.
16 De vrouw verwijst naar haar verweerschrift in appel onder 15 en 25-27, alsmede naar het proces-verbaal in hoger beroep, p. 2, boven het midden.
17 Onder meer verzoekschrift in appel zijdens de man onder 10, 13-14, 16-17, pleitnotities zijdens de man van 20 mei 2005, onder 11-14 en 16-18.
18 Zie de in de klacht genoemde punten 25-27 van het verweerschrift van de vrouw in appel, waarin voorts wordt verwezen naar de stellingen van de vrouw bij verweerschrift in appel onder 3-7 en 12-15, en het proces-verbaal van de zitting van het hof van 20 mei 2005, p. 2, onder het midden.
19 De vrouw verwijst naar haar verweerschrift in appel, waarin op p. 4/5 op de inkomens- en financiële positie van de man is ingegaan, en het proces-verbaal, p. 2, boven het midden.
20 Vgl. in het bijzonder HR 29 oktober 1999, NJ 2000, 62, rov. 3.3.2.
21 Verwezen wordt naar het verweerschrift in appel onder 10, 16 en 17 en onder 36.
22 Zie de pleitnotities van mr. T. de Rouwe van 20 mei 2005 onder 7.
23 Zie hiervóór onder 2.4.
24 Zie voor deze gegevens de stellingen van de vrouw bij verweerschrift in appel onder 28 en het proces-verbaal, p. 3, midden. Het hof gaat zelf uit van een bruto jaarinkomen van € 10.900.
25 Zie bijv. HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313, rov. 3.4; conclusie A-G Wesseling-van Gent voor HR 23 januari 2004, LJN AN8077, onder 2.13.
26 Vgl. de algemene stel- en bewijsplicht als genoemd hiervóór onder 2.4, vierde alinea; en - voor een geval van "gewone behoefteberekening" - HR 20 februari 2004, LJN AO1327, rov. 3.5.2.
27 TK 1985-1986, 19 295, nr. 3, p. 6, midden: "Door de verdeling van de taken in het huwelijk kunnen verschillen ontstaan in de maatschappelijke mogelijkheden. Zo kan de rol van de vrouw in het huwelijk en de zorg die zij op zich heeft genomen voor de kinderen in en na beëindiging van het huwelijk met zich brengen dat zij na het huwelijk aangewezen is op een bijdrage van de man. De huwelijksgerelateerde behoeftigheid zal vaak na zekere tijd zijn uitgewerkt. De omstandigheid dat de onderhoudsgerechtigde nog niet zelfstandig in zijn of haar levensonderhoud kan voorzien, kan dan niet meer aan het huwelijk worden toegerekend, maar kan voortvloeien uit andere maatschappelijke omstandigheden, bij voorbeeld de situatie op de arbeidsmarkt."
28 Hoger beroepschrift onder 42; pleitnotities in appel, onder 17 en 25; en verzoekschrift in eerste aanleg onder 9.3, p. 4; aantekeningen mondelinge behandeling onder 17.
29 Verweerschrift in appel onder 28 en (o.m.) 16, waarin zij vermeldt dat op haar flat nog een hypotheek rust.
30 Zie het proces-verbaal, p. 3, midden.
31 Zie het rapport alimentatienormen (Tremarapport) 2001, onder 10) woonlasten, en bijlage 2005 (van 7 juli 2005) bij dat rapport, in het bijzonder tabel 10 "Ondergrens huursubsidie"(woonkostencomponent in de bijstandsnorm). Het Tremarapport en de bijlagen daarbij zijn gepubliceerd op www.nvvr.org en www.rechtspraak.nl.
32 Verweerschrift in appel onder 18 en proces-verbaal, p. 2, onder het midden.
33 Verwezen zij naar de stellingen zijdens de vrouw als genoemd in noot 32, alsmede haar stellingen in het verweerschrift in appel onder 29 en 39 en haar verweerschrift in eerste aanleg op p. 5; en zijdens de man zijn aantekeningen mondelinge behandeling in eerste aanleg onder 14, de brief naar aanleiding van door de vrouw overgelegde stukken van 23 april 2004, onder 4 (prod. E bij het hoger beroepschrift) en de pleitnotities in appel van 20 mei 2005, onder 23-25.