ECLI:NL:PHR:2006:AY6709
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over inkeerbepaling en redelijke termijn bij fiscale strafzaak
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte is veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften. De Hoge Raad behandelt twee hoofdpunten: de toepassing van de inkeerbepaling van artikel 69 lid 3 AWR Pro en de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Ten aanzien van de inkeerbepaling stelt de Hoge Raad vast dat deze alleen geldt indien de verdachte zelf tijdig en op duidelijke wijze de onjuiste aangiften heeft gecorrigeerd of daartoe opdracht heeft gegeven. In deze zaak was de verdachte niet op de hoogte van de correctieaangiften die door een administratiebureau namens de rechtspersoon waren ingediend, waardoor hij geen beroep kan doen op de inkeerbepaling. De Hoge Raad nuanceert dit echter door te stellen dat als de Belastingdienst namens de vennootschap alsnog juiste gegevens heeft ontvangen vóórdat opsporingsambtenaren de fraude vermoedden, een beroep op inkeer mogelijk is, ook als de verdachte daar persoonlijk niet van op de hoogte was.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep door voortvarende behandeling wordt gecompenseerd. De behandeling in hoger beroep nam namelijk bijna twee jaar en vier maanden in beslag, wat een overschrijding inhoudt die in de straftoemeting moet worden betrokken.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling, waarbij de straftoemeting rekening moet houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd en zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling met inachtneming van de redelijke termijn en inkeerbepaling.