ECLI:NL:PHR:2006:AY6945

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03474/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 311.1 SvArt. 415 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot gevangenisstraf wegens diefstal met valse sleutels en overschrijding redelijke termijn

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin de verdachte is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf werd verkregen met valse sleutels. Tevens werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie maanden.

De Hoge Raad overweegt dat de motivering van het opleggen van een zwaardere straf dan gevorderd door het Openbaar Ministerie niet meer hoeft te voldoen aan een sacrale formule, maar wel duidelijk moet maken dat de rechter zich rekenschap heeft gegeven van de gevorderde straf en redenen heeft gevonden voor een hogere straf. In deze zaak heeft het hof de straf passend en geboden geacht gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte.

Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden door een vertraagde indiening van de gedingstukken, waardoor een strafvermindering op zijn plaats is. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en matigt deze ter compensatie van de termijnoverschrijding, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor strafmatiging wegens overschrijding redelijke termijn en bevestigt de gevangenisstraf van vier maanden met matiging.

Conclusie

Griffienr. 03474/05
Mr. Wortel
Zitting:22 augustus 2006
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker wegens "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels" is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.
Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie maanden.
2. Namens verzoeker heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat tengevolge van een vertraagde inzending van de gedingstukken naar de Hoge Raad de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde redelijke termijn bij de behandeling van dit cassatieberoep wordt overschreden.
4. In aanmerking genomen dat het cassatieberoep is ingesteld op 10 februari 2005, terwijl de stukken van het geding eerst op 12 december 2005 bij de Hoge Raad zijn binnengekomen, is de klacht terecht voorgesteld. Een zó voortvarende behandeling dat de opgetreden vertraging zou kunnen worden gecompenseerd is niet meer mogelijk. Strafvermindering zal het gevolg moeten zijn.
5. In het tweede middel wordt er over geklaagd dat een zwaardere straf is opgelegd dan door de advocaat-generaal gevorderd, zonder dat daarvoor de vereiste motivering is gegeven.
6. De advocaat-generaal vorderde ter terechtzitting in hoger beroep een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden (plus tenuitvoerlegging van nog eens drie maanden gevangenisstraf).
7. Ter motivering van de bovengenoemde gevangenisstraf van vier maanden heeft het Hof overwogen:
"De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte is samen met twee anderen naar het terrein van [A] te [vestigingsplaats] gegaan om verhaal te halen bij zekere [betrokkene], die daar op dat moment werkzaam was. Toen bleek dat [betrokkene] niet zou betalen, hebben verdachte en zijn mededaders, waaronder die [betrokkene], de verschillende kantoorruimtes geopend en daaruit meegenomen wat van hun gading was. Door het overhoop halen van het hele pand en het wegnemen van een grote hoeveelheid (kostbare) apparatuur, heeft [A] -en werknemers van [A]- veel materiële schade geleden en hinder ondervonden. Aannemelijk is voorts dat de verdachte [betrokkene] onder psychische druk heeft gezet voor zij toestemde in en meewerkte met de diefstal van haar werkgever.
Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatiedienst van 6 december 2004, is verdachte eerder ter zake van vermogens- en geweldsdelicten is veroordeeld. Voorts is hij veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen.
In hetgeen door de raadsman is aangevoerd ziet het hof, gelet op de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, geen termen voor het opleggen van een taakstraf in de vorm van een werkstraf. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden."
8. Opmerking verdient dat op dit arrest art. 359 Sv Pro toepasselijk is zoals de bepaling sinds 1 januari 2005 luidt.
Sindsdien is er geen afzonderlijk motiveringsvoorschrift meer voor gevallen waarin een zwaardere straf wordt opgelegd dan gevorderd. Daartegenover is in het tweede lid van art. 359 Sv Pro in algemene zin bepaald dat het vonnis (of ingevolge art. 415 Sv Pro het arrest) de bijzondere redenen moet geven voor een beslissing die afwijkt van de door de verdachte dan wel de officier van justitie "uitdrukkelijk onderbouwde standpunten".
9. Mij komt het voor dat dit voorschrift meebrengt dat het opleggen van een zwaardere straf dan gevorderd niet voorzien behoeft te worden van een sacrale formule zoals voorheen aan het oude zevende lid van art. 359 Sv Pro werd ontleend. Zo een afwijking van een door het Openbaar Ministerie ingenomen standpunt zal naar behoren zijn gemotiveerd indien de uitspraak duidelijk maakt dat de rechter zich rekenschap heeft gegeven van de door het Openbaar Ministerie gevorderde straf, doch redenen heeft gevonden om een zwaardere straf op te leggen.
In het algemeen behoeft niet verlangd te worden dat met zoveel woorden wordt vastgesteld dat de gevorderde straf te licht is bevonden, terwijl aan de weergave van de gronden voor het opleggen van een zwaardere straf hogere eisen gesteld zullen moeten worden naarmate de officier van justitie of advocaat-generaal nauwkeuriger de factoren heeft genoemd die zijns inziens de zwaarte van de straf moeten bepalen.
10. In dit geval heeft de advocaat-generaal volstaan met aantekening van zijn strafeis op het gebruikelijke voorbedrukte vorderingsformulier. Noch daaruit, noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de advocaat-generaal bijzondere redenen heeft genoemd die hem tot zijn strafeis brachten.
11. Bij deze stand van zaken meen ik dat de straf, gelet op het hier toepasselijke art. 359, tweede lid, Sv, naar behoren met redenen is omkleed, zodat het middel faalt.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, matiging van die straf ter compensatie van het overschrijden van de redelijke berechtingstermijn bij de behandeling van dit cassatieberoep, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,