8. In een geval van zaaksbeschadiging - zoals zich dat hier voordoet - geldt als hoofdregel dat de eigenaar van de beschadigde zaak een nadeel in zijn vermogen lijdt gelijk aan de waardevermindering welke het desbetreffende vermogensbestanddeel heeft ondergaan en dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de - naar objectieve maatstaven berekende - kosten welke met het herstel zullen zijn gemoeid. Wanneer herstel niet mogelijk of verantwoord is - bijvoorbeeld omdat de daarmee gemoeide kosten het bedrag van de als gevolg van de beschadiging opgetreden waardevermindering te zeer overtreffen - heeft de eigenaar in elk geval aanspraak op compensatie van de waardevermindering van het vermogensbestanddeel. Beoordelingstijdstip is steeds het moment van de beschadiging, zij het dat onder omstandigheden gebeurtenissen van later datum kunnen meebrengen dat van de getroffen eigenaar in redelijkheid kan worden verlangd dat hij zijn aanspraak beperkt. Zie onder meer: HR 7 mei 2004, NJ 2005, 76, m.nt CJHB en HR 16 juni 1961, NJ 1961, 144, m.nt LEHR. Zie voorts: S.D. Lindenbergh en T.E. Deurvorst, Schadevergoeding (losbl.) art. 6:96, aant. 17-22; A.R. Bloembergen, Onrechtmatige daad II (losbl.), nr. 78 en dezelfde, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, diss., 1965, nr. 43; Asser-Hartkamp 4-I, 12e dr. 2004, nrs. 415-417 en R.A. Salomons, Schadevergoeding: zaakschade, Mon. NBW B-38, 2e dr. 1993, nr. 102 steeds met verdere verwijzingen naar rechtspraak.
In de bestreden overwegingen heeft het hof de vorenstaande maatstaven aangelegd. Daarbij heeft het hof - in navolging van de eigen stellingen van [eiser] die heeft betoogd dat de economische waarde van een perceel in het algemeen vermindert door het wegvallen van een geluidswal - niet de afzonderlijke bomen doch het perceel waarvan de houtwal deel uitmaakte beschouwd als de beschadigde zaak. Het heeft geoordeeld dat herstel, ofschoon mogelijk, objectief bezien niet verantwoord is en vervolgens dat [verweerder] niettemin een eventuele waardevermindering die het gevolg is van de door hem toegebrachte beschadiging van de houtwal moet vergoeden doch dat in het onderhavige geval niet is gebleken van waardevermindering van het perceel van [eiser] en dat [eiser] ook niet heeft gesteld dat zijn perceel in waarde is gedaald, ook niet nadat [verweerder] had betwist dat [eiser] schade heeft geleden. Bij deze oordelen heeft het hof niet miskend dat het moment van beschadiging maatgevend is voor het antwoord op de vraag of de laedens de herstelkosten dient te vergoeden; het heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat herplanting van volgroeide exemplaren zoals door [eiser] gevorderd, reeds destijds niet verantwoord was gelet op enerzijds de hoge kosten en anderzijds het te verwachten spoedige herstel van de wal door de snelle uitgroei van de meidoorns - welke verwachting door de waarneming van de raadsheer-commissaris ten tijde van descente vier jaar na dato wordt bevestigd - alsmede het risico dat de herplante bomen niet alle zouden aanslaan. Deze oordelen geven ook overigens niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Hierop stuit onderdeel 1.3 af.
Onderdeel 1.4 met zijn klacht dat het hof heeft miskend dat [eiser] zich niet over de door het hof in de rechtsoverwegingen 2.10 en 2.11 genoemde stellingen van [verweerder] heeft kunnen uitlaten zodat het hof deze niet als onweersproken mocht aanmerken, moet falen omdat het hof - anders dan het onderdeel suggereert - niet een door [verweerder] eerst bij memorie van antwoord geponeerde stelling als onweersproken en daarom als vaststaand heeft aangemerkt. De stelling in rechtsoverweging 2.10 dat een snelle en forse uitgroei kenmerkend is voor meidoorns is geponeerd in het incidenteel appel. In rechtsoverweging 2.11 heeft het hof geconstateerd dat [eiser] niet heeft gesteld dat hij vermogensschade bestaande in waardevermindering van zijn perceel heeft geleden, zoals op zijn weg lag, ook niet nadat [verweerder] in zijn memorie van antwoord/grieven niet alleen in zijn bestrijding van de grieven van [eiser] doch ook in zijn incidentele grief had betwist dat [eiser] vermogensschade heeft geleden. [Eiser] heeft in zijn memorie van antwoord in het incidenteel appel voldoende gelegenheid gehad deze stellingen (gemotiveerd) te weerspreken, hetgeen hij heeft nagelaten. Het is dan ook onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof aan dat nalaten de bestreden consequenties heeft verbonden.
Onderdeel 1.5 kan niet slagen omdat - anders dan het onderdeel meent - niet onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat [eiser] met zijn stelling dat aanmerkelijke schade is aangericht aan de boomsingel aan de buitenzijde van zijn perceel, niet heeft geadstrueerd dat het afzetten van de meidoorns een waardevermindering van het perceel tot gevolg heeft gehad.
Nu de overige onderdelen van middel I falen, mist onderdeel 1.2 belang met zijn klacht dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat het voor wat betreft de meidoorns gaat om een schadepost van f 3.600,-.