ECLI:NL:PHR:2006:AY7937
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over daadwerkelijke uitoefening gezagsrecht bij internationale kinderontvoering
Deze zaak betreft een verzoek ex art. 12 van Pro het Haagse Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) tot onmiddellijke teruggeleiding van twee kinderen die door hun moeder van Duitsland naar Nederland zijn overgebracht. De kernvraag in cassatie was de uitleg van 'daadwerkelijke uitoefening' van het gezagsrecht zoals bedoeld in art. 3 lid 1 en Pro art. 13 lid 1 HKOV Pro.
De moeder voerde aan dat het Duitse Kreisjugendamt (KJA), belast met de voogdij, het gezagsrecht niet daadwerkelijk uitoefende omdat het slechts een hulpverlenende rol had en de feitelijke verzorging bij haar lag. De Centrale Autoriteit stelde dat het KJA wel degelijk het gezagsrecht uitoefende, onder meer door het opstellen van een hulpverleningsplan en het onderhouden van contact met de ouders.
De rechtbank en het gerechtshof verwierpen het verweer van de moeder en gelastten de terugkeer van de kinderen naar Duitsland. De Hoge Raad bevestigde dat daadwerkelijke uitoefening van gezagsrecht niet vereist dat de gezagsinstantie de dagelijkse verzorging uitvoert, maar dat zij zich wel overeenkomstig het gezagsrecht om de belangen van het kind moet bekommeren. Het hof had terecht geoordeeld dat het KJA het gezagsrecht daadwerkelijk uitoefende.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de teruggeleiding van de kinderen naar Duitsland. Deze uitspraak verduidelijkt de interpretatie van het begrip daadwerkelijke uitoefening van gezagsrecht binnen het HKOV en benadrukt de bescherming van de belangen en stabiliteit van het kind.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het Kreisjugendamt het gezagsrecht daadwerkelijk uitoefende, waardoor teruggeleiding van de kinderen naar Duitsland werd gelast.