ECLI:NL:PHR:2006:AY8961

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02597/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid arrest wegens ontbreken gemotiveerde beslissing op betwisting verklaringen aangever

In deze zaak is de verzoeker door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige en het vervaardigen en bezit van afbeeldingen van seksuele gedragingen met een minderjarige. De straf bedroeg 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk.

De kern van het cassatieberoep betrof het verweer dat het hof niet op juiste wijze had beslist op het betwiste standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de aangever vals en onbetrouwbaar zouden zijn. Dit standpunt was uitdrukkelijk en met argumenten onderbouwd naar voren gebracht.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof in strijd met artikel 359, tweede lid, Sv niet de motieven had gegeven waarom het van dit standpunt was afgeweken, wat leidt tot nietigheid van het arrest op grond van artikel 359, achtste lid, Sv. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het middel faalt en het beroep verworpen moet worden, maar de Hoge Raad vernietigt het arrest vanwege het ontbreken van een gemotiveerde beslissing op het betwiste verweer.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van een gemotiveerde beslissing op het betwiste verweer, wat leidt tot nietigheid.

Conclusie

Griffienr. 02597/05
Mr. Wortel
Zitting:19 september 2006
Conclusie inzake:
[verdachte = verzoeker]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij verzoeker wegens (1) "met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" en (2) "een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en een bijzondere voorwaarde.
Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, en verzoeker een betalingsverplichting opgelegd.
2. Namens verzoeker heeft mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het enige middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit niet naar behoren met redenen is omkleed, aangezien het Hof heeft verzuimd een gemotiveerde beslissing te geven op het verweer dat een door de aangever afgelegde verklaring vals en/of onbetrouwbaar is.
4. Het verweer hield samengevat in dat de seksuele relatie tussen verzoeker en de aangever met wederzijdse instemming is ontstaan, en dat de aangever uit geldzucht zijn voor verzoeker belastende verklaringen heeft afgelegd. Voorts heeft de raadsman omstandig betoogd dat de valsheid of onbetrouwbaarheid van die door de aangever afgelegde verklaringen blijkt uit tegenstrijdigheden en onopgehelderde of met andere bewijsmiddelen strijdige punten.
5. Voor zover het middel op de gedachte berust dat dit ter verdediging gehouden betoog een verweer is dat ingevolge art. 359, tweede lid, Sv - zoals de bepaling sinds 1 januari 2005 is gaan luiden - een afzonderlijke en met redenen omklede beslissing vergt, is het tevergeefs voorgesteld aangezien een tot bewijs gebezigde geneeskundige verklaring betreffende bij de aangever geconstateerd letsel steun geeft aan de juistheid van diens verklaring, voor zover inhoudende dat verzoeker handelingen heeft verricht die vallen onder het begrip 'seksueel binnendringen van het lichaam'.
Voor zover het terechtzitting aangevoerde is aan te merken als een "uitdrukkelijk onderbouwde standpunt" in de zin van art. 359, tweede lid, Sv vindt het derhalve een toereikende weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130.
6. Het middel faalt derhalve en het leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,