ECLI:NL:PHR:2006:AY8966

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02944/05 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 41, derde lid, Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 2, eerste lid, Besluit van 25 januari 1996Art. 7 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ruime uitleg van 'ten verkoop in voorraad hebben' bij verboden diereningrepen

In deze zaak werd verzoekster veroordeeld wegens het ten verkoop in voorraad hebben van vijf Bouvier-pups met gecoupeerde staarten, een ingreep die verboden is volgens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. De pups waren nog in haar bezit terwijl zij al verkocht waren, maar de overdracht aan de kopers had nog niet plaatsgevonden.

Verzoekster stelde dat de pups civielrechtelijk al waren geleverd en verkocht voordat de staarten werden gecoupeerd, en dat zij daarom niet strafbaar was. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat het begrip 'ten verkoop in voorraad hebben' ook het houden van dieren omvat die nog niet zijn overgedragen, maar bestemd zijn voor verkoop na een verboden ingreep.

De uitspraak benadrukt het doel van de wet om dieren te beschermen tegen schadelijke ingrepen en om handel in dieren met verboden ingrepen te voorkomen. De Hoge Raad oordeelde dat de ruime uitleg van het begrip niet in strijd is met het EVRM. De veroordeling van verzoekster tot geldboetes met voorwaardelijke hechtenis werd daarmee bevestigd.

Uitkomst: Verzoekster wordt veroordeeld voor het ten verkoop in voorraad hebben van pups met verboden gecoupeerde staarten.

Conclusie

Griffienr. 02944/05 E
Mr. Wortel
Zitting:19 september 2006
Conclusie inzake:
[verzoekster = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden waarbij verzoekster wegens "medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 41, derde lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, vijfmaal gepleegd" is veroordeeld tot vijf geldboetes van elk € 300,=, telkens bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zes dagen hechtenis, telkens voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verzoekster heeft mr J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een schriftuur houdende één cassatiemiddel ingediend.
In een samenhangende zaak met griffienummer 02945/05 E concludeer ik heden eveneens.
3. Het enige middel keert zich tegen het oordeel dat het bewezenverklaarde handelen is aan te merken als "ten verkoop in voorraad hebben", in de zin van art. 41 Gezondheids Pro- en welzijnswet voor dieren.
4. Ten laste van verzoekster is bewezenverklaard dat zij:
"(...) op 22 januari 2003, te [woonplaats], in de gemeente [gemeente A], tezamen en in vereniging met een ander, een vijftal Bouvier-pups ten verkoop in voorraad heeft gehad, waarbij een in artikel 40 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren verboden ingreep was verricht."
Die ingreep bestond blijkens de gebezigde bewijsmiddelen uit het couperen van de staarten van deze honden. Dat is kort na hun geboorte gedaan door een dierenarts in België, op verlangen van degenen die de honden hebben gekocht.
5. In de bestreden uitspraak is overwogen:
"In artikel 41, derde lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is strafbaar gesteld het ten verkoop in voorraad hebben, ten verkoop aanbieden, verkopen en kopen van dieren waarbij een bij artikel 40 verboden Pro ingreep is verricht. Onder een dergelijke ingreep valt sinds 1 september 2001 ook het couperen van de staart bij honden.
Verdachte heeft samen met haar echtgenoot een kennel waar Bouviers worden gefokt en vervolgens verkocht. Nadat met betrekking tot een pasgeboren Bouvier-pup een koopovereenkomst is gesloten blijft hij nog enige tijd bij zijn moeder in de kennel totdat hij oud genoeg is om zelfstandig te functioneren. Vervolgens wordt de pup aan de nieuwe eigenaar overgedragen. Zo is het ook gegaan met de vijf onderhavige pups. In de tijd gelegen tussen het sluiten van de koopovereenkomst en de daadwerkelijke overdracht aan de koper heeft verdachte de staarten van deze pups gecoupeerd dan wel laten couperen. Op 22 januari 2003 (vlak vóór de overdracht) werden de pups met gecoupeerde staart door de opsporingsambtenaren bij verdachte thuis aangetroffen.
Het verweer van verdachte is gericht tegen de uitleg van het begrip "verkoop" in artikel 41 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Verdachte en haar raadsman hebben ter terechtzitting het standpunt verdedigd dat voor de uitleg van dit begrip aansluiting dient te worden gezocht bij de tekst van de koopovereenkomst, waaruit blijkt dat de pups reeds zijn verkocht en geleverd vóórdat de staarten zijn gecoupeerd, zodat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan één van de in de tenlastelegging omschreven gedragingen en derhalve moet worden vrijgesproken.
Het hof deelt dit standpunt niet en overweegt daaromtrent het navolgende.
Artikel 40 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren biedt de mogelijkheid om beperkingen te stellen aan de ontwikkeling dat het dier via lichamelijke ingrepen wordt aangepast aan de wensen van de mens. Aldus heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat het dier bescherming verdient tegen ingrepen van de mens die het welzijn van het dier aantasten. Tot deze ingrepen behoort het couperen van staarten. Ter ondersteuning van de handhaving en ter versterking van artikel 40 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is artikel 41 in Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren opgenomen. Omdat het niet dikwijls mogelijk zal zijn iemand op heterdaad te betrappen op het verrichten van een verboden ingreep, bevat dit artikel onder andere een verbod op het verkopen en kopen (de handel) van dieren die een bij artikel 40 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren verboden ingreep hebben ondergaan.
Het doel en de strekking van voormelde artikelen zouden worden miskend wanneer het begrip "verkopen" moet worden uitgelegd in de door de verdachte en haar raadsman voorgestane beperkte zin. Dit geldt temeer nu bij het sluiten van de overeenkomst met de kopers voorafgaande aan de ingreep, naar verdachte's echtgenoot en medeverdachte verklaart, het reeds de bedoeling was dat de dieren pas daadwerkelijk zouden worden overgedragen nadat de staarten waren gecoupeerd. Het hof is dan ook van oordeel dat het begrip "verkoop" in de onderhavige bepaling uitgelegd dient te worden in die zin dat de verkoop van de Bouvier-pups pas is voltooid wanneer die pups aan de nieuwe eigenaar zijn overgedragen: dan pas is immers het totaal van handelingen dat "de handel" vormt, voltooid. Dat betekent dat verdachte op het moment dat de pups bij haar werden aangetroffen, te weten op 22 januari 2003, deze pups ten verkoop in voorraad had, immers had zij die pups onder zich ten behoeve van de verkoop aan de respectievelijke personen aan wie zij ze civielrechtelijk gezien mogelijk reeds had verkocht.
Op grond van vorenstaande verwerpt het hof het verweer."
6. De navolgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
6.a art. 41, derde lid, Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, luidende:
"Het ten verkoop in voorraad hebben, ten verkoop aanbieden, verkopen en kopen van dieren waarbij een bij artikel 40 verboden Pro ingreep is verricht, is verboden";
art. 40 Gezondheids Pro- en welzijnswet voor dieren, luidende voor zover hier van belang:
(eerste lid) "Het is verboden een of meer lichamelijke ingrepen bij een dier te verrichten, waarbij een deel of delen van het lichaam wordt of worden verwijderd of beschadigd";
(tweede lid) "Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op:
(...)
c. Bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ingrepen;
(...)"
(derde lid) "Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de wijze waarop en de gevallen waarin de lichamelijke ingrepen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c en d, slechts mogen worden verricht";
6.b de in de zojuist genoemde bepalingen bedoelde algemene maatregel van bestuur, te weten het Besluit van 25 januari 1996, houdende aanwijzing van en regelen omtrent toegestane ingrepen bij dieren (Ingrepenbesluit), en daarvan:
art. 2, eerste lid, voor zover hier van belang:
"Als ingrepen als bedoeld in artikel 40, tweede lid, onderdeel c, van de wet, worden aangewezen:
(...)
u. het verwijderen van een deel van de staart bij honden tot de leeftijd van zeven dagen";
alsmede art. 4, eerste lid, voor zover hier van belang:
"De ingrepen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen (...) u (...) worden aangewezen voor de duur van een tijdvak van vijf jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit."
7. De onderhavige verbodsnormen waren in het oorspronkelijk ontwerp van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren te vinden in de art. 37g en 37h. Daaromtrent is in de Nota van Wijziging opgemerkt:
"In deze artikelen worden in de eerste plaats een aantal ingrepen bij dieren uitdrukkelijk verboden. Het verkleinen van de oorschelpen van honden en het verkorten van de staartwervelkolom van paarden waren tot nu toe als een vorm van dierenmishandeling in artikel 455 van Pro het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld. De effectiviteit van deze strafbaarstellingen liet te wensen over. Reden waarom weleens is gesuggereerd om bij wijze van steunbepaling met name het houden van honden met gecoupeerde oren te verbieden. Een dergelijke bepaling zou echter een duurdelict opleveren waaraan door de overtreder, zelfs al zou hij dat willen, niet zo maar een eind zou kunnen worden gemaakt. Daarvoor zou hij zijn hond óf moeten verkopen - hetgeen onder die omstandigheden welhaast onmogelijk zal zijn - óf moeten doden. Dit laatste kan uiteraard niet de bedoeling van het coupeerverbod zijn. Derhalve is gekozen voor een verbod op het deelnemen aan dierententoonstellingen, keuringen of wedstrijden met dieren waaraan verboden ingrepen zijn verricht, met daaraan gekoppeld een verbod om dergelijke dieren toe te laten op zulke evenementen alsook een verbod om dergelijke dieren te verkopen en ten verkoop in voorraad te hebben"
(Kamerstukken II, 1984-1985, 16 447, nr. 7, p. 31-32)
8. In het vervolg van de parlementaire behandeling is herhaaldelijk aangedrongen op een breder verbod, er op neerkomend dat elk houden van een dier dat een verboden ingreep heeft ondergaan strafbaar is (Kamerstukken II, 1985-1986, 16 447, nr. 8 p. 18). Er is ook een motie van die strekking ingediend (Kamerstukken II, 1988-1989, 16 447, nr. 25. Telkens hebben de bewindslieden daar tegenin gebracht dat een zó ruim verbod ertoe leidt dat ten aanzien van zulke dieren een voordurend delict wordt begaan dat slechts kan worden beëindigd door het dier af te maken, zodat het welzijn van het dier met een dergelijk veelomvattend verbod niet zou zijn gediend. In dit verband is ook benadrukt dat in het toegelaten (althans: niet verboden) karakter van privé-bezit van een dier dat een verboden ingreep heeft ondergaan niet besloten ligt dat met het dier activiteiten mogen worden ontplooid zoals deelnemen aan tentoonstelling, keuring of wedstrijd. Op instigatie van kamerleden is de opsomming van verboden gedragingen aangevuld met "kopen" van een dergelijk dier (Kamerstukken II, 1986-1987, 16 447, nr. 11 p. 16 en nr. 16, p. 27-28, nr. 69, p. 2)
9. Met betrekking tot de hierboven aangehaalde bepaling in het 'Ingrepenbesluit' houdt de toelichting op dat Besluit in:
"Ter ondersteuning van de handhaving en ter versterking van artikel 40, is artikel 41 in Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren opgenomen. Omdat het niet dikwijls mogelijk zal zijn iemand op heterdaad te betrappen op het verrichten van een verboden ingreep, bevat dit artikel een verbod om dieren die een verboden ingreep hebben ondergaan te laten meedoen aan evenementen als tentoonstellingen en keuringen. Voorts is het verkopen en kopen van deze dieren strafbaar gesteld. Artikel 130, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren voorziet ter zake van artikel 41 in Pro een overgangsregeling."
(...)
Ook het couperen van de staart bij honden wordt nog enige tijd toegestaan. De reden daarvan is gelegen in het feit dat, gelet op artikel 41 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, het verbod op het couperen van de staart problemen oplevert voor internationale evenementen met honden. Door het couperen nog enige tijd toe te staan, krijgen de (internationale) kynologie-organisaties de gelegenheid om tot internationale harmonisatie te komen.
(...)
Overigens is het bezitten van, alsmede het in Nederland fokken met dieren met een verboden ingreep ook in de toekomst ingevolge het onderhavige besluit niet verboden. Ook blijft het voor een particulier die voor eigen gebruik buiten Nederland een dergelijk dier heeft aangeschaft mogelijk het dier binnen Nederland te brengen. Hij zal evenwel het dier, indien het eenmaal in Nederland is gebracht, niet mogen verkopen of laten deelnemen aan een tentoonstelling, keuring of wedstrijd."
(Stb 1996, 139, p. 6, 9 en 10)
10. Overigens is het 'Ingrepenbesluit' in werking getreden op 1 september 1996 (Stb 1996, 399), zodat de in art. 2, eerste lid, onder u. van dit Besluit in samenhang met art. 40, tweede lid, onder c Gezondheids- en welzijnswet voor dieren opgenomen uitzondering op het in art. 40, eerste lid van die Wet gestelde verbod ten tijde van het in deze zaak bewezenverklaarde handelen niet meer gold, vgl. het wijzigingsbesluit van 27 mei 2003, van kracht geworden op 19 mei 2004, Stb 2004, 40.
11. De hierboven aangehaalde bepalingen kunnen, gelet op de eveneens aangehaalde toelichtingen op die bepalingen, aldus worden begrepen dat de wetgever voor ogen heeft gehad elke gedraging te verbieden waardoor het verrichten van verboden ingrepen bij dieren wordt bevorderd. Daartoe worden ook gerekend de gedragingen waardoor het bezit van een dier dat een verboden ingreep heeft ondergaan wordt overgedragen. Slechts het voor zichzelf bezitten van een dergelijk dier is buiten het verbod gehouden, waarvoor in de loop van de parlementaire behandeling van het ontwerp voor de Gezondheids- en welzijnswet steeds één reden is genoemd: een verbod op elk voorhanden hebben zou niet in het belang van het dier zijn, aangezien dit verbod ertoe zou voeren dat voortdurende delicten worden begaan die alleen beëindigd kunnen worden door de dieren af te maken.
12. Aangezien de wetgever duidelijk voor ogen heeft gehad het verbod een zó vergaande strekking te geven, stond het het Hof vrij om "ten verkoop in voorraad hebben", zoals de woorden zijn gebezigd in art. 41 Gezondheids Pro- en welzijnswet voor dieren, aldus uit te leggen dat daaronder óók valt de situatie waarin dieren worden gehouden teneinde ze aan een ander over te dragen, ter uitvoering van een reeds gesloten obligatoire overeenkomst, nadat die dieren een verboden ingreep hebben ondergaan.
13. Dat deze ruime, doch door de kenbare bedoelingen van de wetgever noodzakelijke, uitleg van de bewoordingen van een verbodsnorm, en daarmee van een strafbaarstelling, niet onverenigbaar is met art. 7 EVRM Pro, en zulke strijdigheid met deze verdragsbepaling ook niet voortvloeit uit EHRM NJ 2001, 62, behoeft geen verdere toelichting.
14. Het middel faalt derhalve in alle opzichten.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,