ECLI:NL:PHR:2006:AY8975
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Oplegging ISD-maatregel vereist volledige of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van eerdere straffen
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam een verdachte een ISD-maatregel opgelegd wegens recidive, waarbij het hof had vastgesteld dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het feit ten minste drie maal onherroepelijk was veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen. Echter ontbrak in het vonnis een expliciete motivering dat ten tijde van het nieuwe feit deze straffen geheel waren tenuitvoer gelegd.
De Hoge Raad benadrukt dat de wet vereist dat het nieuwe feit is begaan na tenuitvoerlegging van de eerdere straffen, maar dat deze tenuitvoerlegging ook gedeeltelijk kan zijn. Dit is in overeenstemming met de parlementaire geschiedenis en de bedoeling van de wetgever, die de maatregel wil reserveren voor personen bij wie eerdere straffen onvoldoende effect hadden.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof in zijn motivering duidelijk moet maken dat aan alle voorwaarden van art. 38m Sr is voldaan, waaronder de recidive-eis en de uitvoering van eerdere straffen. Ook wordt bevestigd dat het hof terecht het verweer van niet-ontvankelijkheid verwierp en dat de kwalificatie van een bewezen verklaard feit als poging tot diefstal een herstelbare misslag is.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de ISD-maatregel terecht is opgelegd, met de kanttekening dat de motivering adequaat moet zijn. Tevens blijft het hof bevoegd om binnen negen maanden na onherroepelijkheid te beslissen over voortzetting van de maatregel.
Uitkomst: De ISD-maatregel is terecht opgelegd, ook bij gedeeltelijke tenuitvoerlegging van eerdere straffen.