ECLI:NL:PHR:2006:AY9169

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00016/06 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552p SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtshulpverlening ondanks bezwaren over Duitse onderzoekspraktijken

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Arnhem die verlof verleende tot overdracht van inbeslaggenomen stukken aan Duitse justitiële autoriteiten. De stukken werden overgedragen met het beding dat zij na gebruik worden teruggezonden.

De verzoekster klaagde onder meer dat de stukken reeds vóór onherroepelijke beslissing aan de Duitse autoriteiten waren verstrekt en dat sprake was van een tweede rechtshulpverzoek gebaseerd op gegevens uit een eerder verzoek. Ook werd betoogd dat de Duitse rechter de kring van verdachten ruimer had bepaald dan toegestaan volgens Duits recht en dat het onderzoek neerkwam op vervolging wegens ras of nationaliteit.

De Hoge Raad verwierp deze klachten. Het vroegtijdig verstrekken van stukken was geen beslissing van de rechter en dus niet vatbaar voor cassatie. Het tweede rechtshulpverzoek was niet onrechtmatig en het is niet aan de Nederlandse rechter om de uitleg van Duits strafprocesrecht te toetsen. Bovendien was het Duitse onderzoek gericht op ondernemingen in de horeca en niet op bevolkingsgroepen.

De Hoge Raad benadrukte dat rechtshulpverzoeken krachtens internationale verdragen zoveel mogelijk moeten worden ingewilligd, tenzij wezenlijke belemmeringen of ernstige inbreuken op fundamentele procesbeginselen zich voordoen. De klachten voldeden hier niet aan, zodat het beroep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verlof tot overdracht van stukken aan Duitse autoriteiten blijft in stand.

Conclusie

Griffienr. 00016/06 B
Mr. Wortel
Zitting:26 september 2006
Conclusie inzake:
[verzoekster=verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een beschikking van de Rechtbank te Arnhem waarbij op verzoek van de rechter-commissaris in die Rechtbank het in art. 552p, derde lid, Sv bedoelde verlof is verleend tot overdracht van inbeslaggenomen stukken van overtuiging aan de justitiële autoriteiten te Koblenz (Bondsrepubliek Duitsland), met het beding dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het nodige gebruik is gemaakt.
2. Namens verzoekster heeft mr V.C.A. van Wijck, advocaat te Nijmegen, een schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend.
3. Bij beoordeling van die middelen dient te worden vooropgesteld dat bij een beslissing als de onderhavige, verlangd met het oog op de uitvoering van een tot Nederland gericht verzoek om rechtshulp, uitgangspunt behoort te zijn dat aan rechtshulpverzoeken die zijn gedaan krachtens een voor Nederland verbindend verdrag zoveel mogelijk gevolg dient te worden gegeven. Dit brengt mee dat van inwilliging van zodanig rechtshulpverzoek - in voorkomend geval dus ook van verlenen van het in art. 552p, derde lid, Sv bedoelde verlof - slechts kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, voorvloeiende uit het toepasselijke rechtshulpverdrag of uit de wet, dan wel de uitvoering van het rechtshulpverzoek zou meebrengen dat een ernstige inbreuk wordt gemaakt op de hier te lande erkende fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde, vgl. HR NJ 2002, 580.
4. Het is om die reden dat deze conclusie bij vervroeging wordt genomen.
5. Het eerste middel bevat de klacht dat het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen (digitale) bescheiden reeds ter beschikking van de Duitse autoriteiten heeft gesteld, derhalve nog voordat de bestreden beschikking onherroepelijk is geworden.
6. Deze klacht betreft geen beslissing of handeling van de rechter die de bestreden beschikking heeft gegeven en is reeds daarom geen voor behandeling vatbaar cassatiemiddel.
7. Het tweede middel keert zich tegen de beslissing op het verweer dat het gevraagde verlof geweigerd moet worden omdat er sprake is van een tweede rechtshulpverzoek, gedaan op grond van gegevens die zijn vergaard bij de uitvoering van een eerder rechtshulpverzoek.
8. Hetgeen de rechtbank ter verwerping van dat verweer heeft overwogen laat zich aldus verstaan dat het niet gaat om een (tweede) rechtshulpverzoek met dezelfde strekking, op grond van dezelfde verdenking tegen dezelfde kring van verdachten.
Dat feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk en op deze grond kon het verweer worden gepasseerd.
Ik merk ten overvloede op dat met geen rechtsregel onverenigbaar is dat op grond van de resultaten van een eerder rechtshulpverzoek een tweede verzoek wordt gedaan, strekkende tot het verrichten van nog weer verdergaande onderzoekshandelingen.
9. Het derde middel klaagt over schending of onjuiste toepassing van een bepaling van Duits strafprocesrecht door de rechter in de verzoekende Staat. Het komt er op neer dat de Duitse rechter de kring van verdachten ruimer heeft bepaald dan het Duitse recht zou toestaan.
10. Het middel mist doel omdat het bij de uitvoering van een verzoek om rechtshulp niet aan de Nederlandse rechter is om een oordeel te geven over de wijze waarop de rechter in de verzoekende Staat de aldaar geldende wettelijke regeling van onderzoeksbevoegdheden uitlegt of toepast.
Voor de goede orde merk ik hierbij op dat hetgeen bij de Rechtbank werd aangevoerd lichtjaren ver verwijderd is van de uit de jurisprudentie bekende gevallen waarin werd betoogd dat de inwilliging van een rechtshulpverzoek (met name uitleveringsverzoek) de verdachte zou blootstellen aan flagrante schending van diens onvervreemdbare rechten - daargelaten dat de Hoge Raad ook in die context één en andermaal heeft benadrukt dat in het rechtshulpverkeer tussen EVRM-landen in beginsel vertrouwd moet worden op het oordeel van de rechter in de verzoekende staat.
11. Om dezelfde reden faalt het vierde middel, dat wederom de vraag aan de orde stelt of de Duitse rechter niet een "fishing expedition" toestaat met voorbijgaan aan de nauwkeurigheid waarmee naar Duits recht verdachten geïdentificeerd moeten kunnen worden teneinde rechtmatig bijzondere onderzoeksbevoegdheden te kunnen toepassen.
12. Het vijfde middel (abusievelijk als zesde middel genummerd) laboreert in hoge mate aan een euvel dat ook de voorgaande middelen vertonen: het is buitengewoon omslachtig, zelfs warrig, geformuleerd. Voor zover de hier geponeerde stellingen al een aan de eisen voldoend cassatiemiddel vormen, strekken zij misschien ten betoge dat het verlof niet mocht worden verleend voor zover de inbeslaggenomen stukken van overtuiging naar hun inhoud geen betrekking hebben op afnemers van verzoekster buiten de kring van (nog niet bij naam bekende) verdachten in het Duitse onderzoek. Als dat inderdaad de strekking van de klacht is faalt zij omdat de Rechtbank uit de omstandigheid dat de betreffende (digitale) bescheiden als stukken van overtuiging zijn inbeslaggenomen mocht afleiden dat er voorshands voldoende aanwijzingen zijn dat de inhoud van die stukken relevant is voor de feiten waarop het Duitse onderzoek is gericht.
13. Het zesde middel (abusievelijk als zevende middel genummerd) keert zich tegen de verwerping van het verweer dat een onderzoek naar (nog niet bij naam bekende) exploitanten van Chinese restaurants neerkomt op vervolging wegens ras of nationaliteit, zodat art. 552l Sv aan het verlenen van rechtshulp in de weg staat.
14. Ook dit laatste middel faalt aangezien de Rechtbank geenszins onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat het Duitse onderzoek geen bevolkingsgroep op de korrel neemt, doch een groep ondernemingen in de horeca.
15. De middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,