ECLI:NL:PHR:2006:AY9214

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03555/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422.1 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omvang onderzoek en strafoplegging na terugwijzing door Hoge Raad

Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage de strafoplegging opnieuw vastgesteld op dertig maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk. De verdediging stelde dat het hof ten onrechte niet had beraadslaagd over het onderzoek in eerste aanleg, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit niet tot nietigheid leidt tenzij verdachte daardoor is geschaad, wat niet was gesteld of gebleken.

Daarnaast werd geklaagd over de strafmotivering, met name dat het hof rekening had gehouden met het verstoppen van het babylijkje, wat mogelijk een zelfstandig strafbaar feit oplevert dat niet ten laste was gelegd. De Hoge Raad stelde dat het hof deze omstandigheid mocht meewegen als nadere uitwerking van de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten waren begaan, zonder dat dit betekent dat het hof een apart strafbaar feit heeft meegewogen.

De Hoge Raad verwierp de middelen en bevestigde dat het hof de straf passend had gemotiveerd, waarbij het meewogen van de omstandigheid dat de verdachte en mededader het lijkje verborgen om verlies van zeggenschap over hun kinderen te voorkomen, toelaatbaar was. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Hoge Raad verwierp cassatieberoep en bevestigde strafoplegging van 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk.

Conclusie

Nr. 03555/05
Mr. Fokkens
Zitting: 26 september 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 15 maart 2005, nr. 02435/05, waarbij de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 december 2003 heeft vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage de aan de verdachte op te leggen straf bepaald op dertig maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte niet mede heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg.
4. De bestreden uitspraak houdt onder meer het volgende in:
"Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 november 2005."
5. Indien vast zou staan dat het Hof slechts naar aanleiding van het onderzoek in hoger beroep heeft beraadslaagd, zou dat gezien HR 24 september 1991, DD 92.022 in dit geval niet tot nietigheid van de uitspraak behoeven te leiden, omdat het - vrijsprekende - vonnis van de Rechtbank in hoger beroep is vernietigd en niet blijkt dat ten bezware van verdachte acht is geslagen op enige in eerste aanleg afgelegde verklaring.
6. Het middel strandt echter reeds om een andere reden. De vraag die het middel aan de orde stelt, is door de Hoge Raad beantwoord in HR 15 oktober 1991, DD 92.054. De Hoge Raad overwoog in dat arrest:
"Het middel miskent dat geen rechtsregel het Hof noopte met zoveel woorden in zijn arrest tot uitdrukking te brengen dat het overeenkomstig art. 422, eerste lid, Sv heeft beraadslaagd zowel naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep als van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad".
Het middel kan om die reden niet slagen.
7. In het tweede middel wordt geklaagd over de strafmotivering. Deze luidt als volgt:
"De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft met zijn levensgezellin de gezondheid van twee kinderen die voor hun verzorging van beide verdachten afhankelijk waren benadeeld en hen ronduit verwaarloosd. Hij heeft op geen enkele wijze blijk gegeven van enig besef van de levensbehoeften van deze zeer jonge kinderen. Tevens heeft hij samen met zijn mededader nagelaten tijdig medische hulp in te roepen voor hun zieke zoontje [de zoon] en hem zodoende in een hulpeloze toestand gebracht en gelaten. Toen [de zoon] was overleden hebben de verdachte en zijn mededader zijn lijkje ruim twee weken in de schuur verstopt, waardoor het onderzoek naar de oorzaak van het overlijden bemoeilijkt is.
Aannemelijk is dat de verdachten dit gedaan hebben, omdat een lijkschouwer zou hebben gezien dat hun zoontje mishandeld was, waardoor de verdachten vreesden de zeggenschap over hun andere kinderen kwijt raken.
De verdachte heeft met deze handelingen op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze wel heel kleine en volledig van hun ouder/verzorger afhankelijke kindertjes. De bewezenverklaarde feiten zijn schokkend.
Het hof heeft in aanmerking genomen dat de beide onder 1 bewezenverklaarde feiten deels in eendaadse samenloop zijn begaan.
Het hof heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport, opgemaakt door de psycholoog J.H. Ruijs. Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel Documentatieregister d.d. 29 september 2003, is verdachte meermalen veroordeeld voor geweldsdelicten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat na te melden gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijk, passend en geboden is. Het voorwaardelijke gedeelte dient ter voorkoming van nieuwe, strafbare feiten."
8. Volgens het middel heeft het Hof, door te overwegen dat verdachte en zijn mededader het lijkje van [de zoon] hebben verstopt, ten onrechte ten bezware van verdachte acht geslagen op strafbare feiten die niet zijn tenlastegelegd en bewezen verklaard en die ook niet door de verdachte zijn erkend.
9. De steller van het middel heeft in zoverre gelijk dat het verstoppen van het lijkje een strafbaar feit uit de Wet op de lijkbezorging zou kunnen opleveren. De vraag is of het Hof door te overwegen zoals ik hierboven heb weergegeven, met een dergelijk strafbaar feit rekening heeft willen houden bij de bestraffing.
10. Ik meen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Wat het Hof hier heeft aangegeven is dat het bij de strafoplegging rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat blijkens dit verstoppen verdachte en zijn mededader, ondanks het overlijden van [de zoon], koste wat kost wilden vermijden dat zij de zeggenschap over hun kinderen kwijt zouden raken, hoewel zij de gezondheid van twee van hun zeer jonge kinderen op zodanige wijze hadden benadeeld dat dit diverse misdrijven opleverde. Dat is een omstandigheid die het Hof mocht meewegen ten bezware van de verdachte. Voor de stelling dat het Hof in het handelen ten aanzien van het kinderlijkje (ook) een afzonderlijk bij de bestraffing mee te wegen strafbaar feit heeft gezien, is in deze overweging geen aanknopingspunt te vinden. Vgl. HR 27 november 2001, AD4286.
11. Ook dit middel faalt.
12. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
13. Ook overigens heb ik geen gronden voor vernietiging aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden