ECLI:NL:PHR:2006:AY9216
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Leeftijdsdiscriminatie bij minimumjeugdloonregeling voor 13- en 14-jarigen
Deze zaak betreft een geschil tussen de Staat en FNV c.s. over de vraag of het ontbreken van een minimumjeugdloon voor 13- en 14-jarigen in het Besluit minimumjeugdloonregeling een ongerechtvaardigd leeftijdsonderscheid vormt. FNV c.s. vorderden een verklaring voor recht dat dit onderscheid in strijd is met artikel 26 IVBPR Pro, artikel 7 van Pro het Europees Sociaal Handvest (ESH) en artikel 7 IVESC Pro, en dat de Staat het besluit moest aanpassen.
De rechtbank oordeelde dat het onderscheid onrechtmatig is omdat 13- en 14-jarigen feitelijk vergelijkbare arbeid verrichten als 15-jarigen, die wel een minimumloon ontvangen. Het hof vernietigde dit oordeel deels en stelde dat de rechter niet bevoegd is de Staat te bevelen een algemeen verbindend voorschrift tot stand te brengen. Het hof vond het onderscheid gerechtvaardigd vanwege het belang van onderwijs en de kwetsbaarheid van jongere jeugdigen, maar stelde dat het middel proportioneel moest zijn.
De Hoge Raad concludeert dat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met de beoordelingsvrijheid van de wetgever bij het maken van leeftijdsonderscheid en dat het arrest niet in stand kan blijven. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug. De uitspraak benadrukt dat 13- en 14-jarigen niet als volwaardige werknemers worden beschouwd en dat het ontbreken van een minimumloon voor hen niet per definitie discriminerend is, mits het onderscheid objectief en redelijk gerechtvaardigd is.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt de beoordelingsvrijheid van de wetgever bij leeftijdsonderscheid in minimumloonregelingen voor jongeren.