ECLI:NL:PHR:2006:AY9684

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/283HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:107 lid 1 BWArt. 3:109 BWArt. 3:119 lid 1 BWArt. 81 ROArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijslastverdeling omtrent eigendom auto tussen voormalige levenspartners

Partijen, voormalige levenspartners, zijn in geschil over het eigendomsrecht van een tijdens hun relatie aangeschafte auto. De auto werd gekocht door eiser, maar stond op naam van verweerster die deze na de relatiebreuk onder zich hield. Eiser stelde dat hij de auto slechts in bruikleen had gegeven en vorderde betaling van de koopsom of afgifte van de auto.

De rechtbank wees de vorderingen van eiser af wegens onvoldoende bewijs. In hoger beroep oordeelde het hof dat verweerster als bezitter van de auto op grond van art. 3:109 BW Pro vermoed eigenaar was en dat dit vermoeden niet door eiser was weerlegd. Eiser moest daarom bewijzen dat hij de auto slechts in bruikleen had gegeven. Nadat getuigenverhoren hadden plaatsgevonden, oordeelde het hof dat eiser niet in zijn bewijs was geslaagd en bekrachtigde het vonnis.

In cassatie betwist eiser de bewijslastverdeling, stellende dat degene die schenking beweert moet bewijzen. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat het aan de rechter is om te beoordelen of het vermoeden van eigendom door bezit is weerlegd. Het hof had dit zorgvuldig gemotiveerd en het oordeel is niet in cassatie toetsbaar. Het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest wordt bekrachtigd.

Conclusie

Rolnr. C05/283HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 6 okt. 2006
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1. In deze zaak bestrijden partijen elkaar het eigendomsrecht op een auto. In cassatie gaat het om de vraag naar de bewijslastverdeling.
2. Voor zover in cassatie nog van belang, liggen de feiten als volgt (zie r.o. 4.1 van het tussenarrest van het hof).
(i) Partijen, hierna: [eiser] en [verweerster], hebben vanaf 1993 samengewoond. De samenwoning is in oktober 1999 verbroken.
(ii) In of omstreeks februari 2000 speelde tussen partijen een verzoeningspoging. In een brief die [eiser] op 26 januari 2000 aan [verweerster] zond, schreef hij:
"Ik zal je droom laten uitkomen om voor jou een SLK te kopen. Ik weet dat je van die auto helemaal weg bent."
(iii) Medio februari 2000 heeft [eiser] van Autobedrijf [A] een Mercedes SLK 230, hierna: de auto, gekocht. Volgens de koopovereenkomst zou een Volkswagen Golf worden ingeruild en diende daarnaast nog een bedrag van f 62.500,- te worden betaald.
(iv) In de ochtend van 16 februari 2000 heeft [eiser] het bedrag van f 62.500,- contant betaald aan [A]. 's-Middags heeft [verweerster] de auto bij [A] opgehaald. Het kenteken van de auto is op naam van [verweerster] gesteld en de verzekering is op haar naam afgesloten. De verzekeringspremie is door [verweerster] betaald.
(v) Op of kort na 16 februari 2000 is de relatie tussen partijen definitief verbroken.
(vi) Op enig moment heeft [verweerster] de auto, die zij na verbreking van de relatie onder zich had gehouden, overgedragen aan ene [betrokkene 1].
(vii) De auto is op of omstreeks 19 oktober 2000 gestolen onder [verweerster] of [betrokkene 1].
3. Op 11 januari 2001 heeft [eiser] [verweerster] (en [betrokkene 1], die in cassatie niet meer als partij is betrokken) gedagvaard voor de rechtbank 's-Hertogenbosch en gevorderd primair dat [verweerster] wordt veroordeeld aan hem de koopsom van de auto te betalen (als schadevergoeding voor het verlies van de auto) en een bedrag van Euro 6.806,70 (als gebruiksvergoeding) en subsidiair en voorwaardelijk (voor het geval de diefstal wordt opgelost en de auto weer in het bezit van [verweerster] komt) afgifte van de auto. [Eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij eigenaar is van de auto. Hij stelt dat hij de auto aan [verweerster] in bruikleen had gegeven en dat hij de bruikleenovereenkomst inmiddels heeft opgezegd.
4. [Verweerster] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eiser]. Zij betwist dat zij de auto in bruikleen heeft ontvangen en stelt dat de auto haar door [eiser] in februari 2000 is geschonken, zodat zij eigenaar van de auto is geworden.
5. De rechtbank heeft bij vonnis van 5 februari 2003 de vorderingen van [eiser] als onvoldoende feitelijk onderbouwd (r.o. 3.4) afgewezen.
6. [Eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
7. Bij tussenarrest van 8 juni 2004 heeft het hof [eiser] toegelaten te bewijzen dat hij de auto niet aan [verweerster] heeft geschonken, doch slechts aan haar in bruikleen heeft gegeven. Daartoe overwoog het hof onder meer dat [verweerster], nu zij de auto na aflevering onder zich heeft gehouden en zij ingevolge art. 3:109 BW Pro vermoed wordt de auto voor zichzelf te zijn gaan houden, op grond van art. 3:107 lid 1 BW Pro in beginsel als bezitter van de auto had te gelden (r.o. 4.8.1). Art. 3:119 lid 1 BW Pro brengt dan mee dat in het onderhavige geval sprake is van een wettelijk vermoeden dat [verweerster] rechthebbende op de auto was (r.o. 4.8.2). Dit wettelijk vermoeden is door [eiser] nog niet in die mate weerlegd dat het aan [verweerster] is nader bewijs te leveren van haar rechten (r.o. 4.8.3). [Eiser] dient derhalve nader bewijs te leveren van zijn stelling dat hij de auto niet aan [verweerster] heeft geschonken, doch slechts in bruikleen heeft gegeven (r.o. 4.8.4).
8. Nadat getuigenverhoren hadden plaatsgevonden, heeft het hof bij eindarrest van 21 juni 2005 [eiser] niet geslaagd geoordeeld in het bewijs waartoe hij was toegelaten (r.o. 7.3.9) en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
9. [Eiser] is tegen zowel het tussen- als het eindarrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met vier middelen. [Verweerster] is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
10. De middelen I, II en III bestrijden het in het tussenarrest neergelegde oordeel van het hof dat het aan [eiser] is om te bewijzen dat hij de auto niet aan [verweerster] heeft geschonken, doch slechts in bruikleen heeft gegeven.
11. Middel I acht de door het hof toegepaste bewijslastverdeling onjuist, omdat een juiste bewijslastverdeling meebrengt dat, in afwijking van art. 3:119 lid 1 BW Pro, hij die zich beroept op schenking, die schenking behoort te bewijzen, omdat een schenking immers niet voor de hand ligt.
12. Het middel faalt. De door het middel verdedigde opvatting, die erop neerkomt dat op het vermoeden van art. 3:119 lid 1 BW Pro een uitzondering geldt, indien niet voor de hand ligt dat degene die zich op het bezit beroept, krachtens de door hem gestelde titel eigenaar is geworden, kan niet als juist worden aanvaard. Zie HR 26 februari 1988, NJ 1989, 488 nt. WMK. Het staat de rechter die over de feiten oordeelt vrij om op grond van hetgeen over en weer is gesteld en de verdere omstandigheden van het geval te oordelen dat het in art. 3:119 lid 1 BW Pro besloten vermoeden dat de bezitter eigenaar is, zodanig is weerlegd dat de bezitter zijn gepretendeerde eigendomsrecht nader zal hebben te bewijzen. Het hof heeft in de stellingen van partijen en de verdere omstandigheden van het onderhavige geval geen aanleiding gezien om van deze vrijheid gebruik te maken. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en kan overigens, feitelijk van aard als het is, in cassatie op zijn juistheid niet worden getoetst. Zie HR 17 juni 1994, NJ 1994, 671.
13. Middel II keert zich tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.8.3 van het tussenarrest - dat het wettelijk vermoeden dat [verweerster] rechthebbende op de auto was, door [eiser] nog niet in die mate is weerlegd dat het aan [verweerster] is nader bewijs te leveren van haar rechten. Het middel betoogt dat dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd en dat het hof ten onrechte in een aantal in de toelichting op het middel opgesomde omstandigheden geen aanleiding heeft gevonden de bewijslast op [verweerster] te leggen.
14. Ook dit middel zal niet tot cassatie kunnen leiden. Al aangenomen dat het middel voldoet aan de daaraan ingevolge art. 407 lid 2 Rv Pro te stellen eisen, nu een vermelding van de plaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties waar de bedoelde omstandigheden door [eiser] zijn gesteld, ontbreekt (zie HR 11 januari 2002, NJ 2002, 82), heeft het hof in r.o. 4.8.3 van zijn tussenarrest gemotiveerd aangegeven welke feiten en omstandigheden in het onderhavige geval het wettelijk vermoeden dat [verweerster] in februari 2000 rechthebbende is geworden ondersteunen en waarom de door [eiser] genoemde omstandigheden en de door [eiser] overgelegde schriftelijke verklaringen het hof niet tot een ander oordeel brengen. Voor zover het middel klaagt dat het hof ongemotiveerd aan de door [eiser] aangevoerde omstandigheden en de door [eiser] overgelegde schriftelijke verklaringen is voorbij gegaan, faalt het derhalve wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Voor zover het middel wil betogen dat die omstandigheden en verklaringen het hof tot een ander oordeel omtrent de bewijslast verdeling hadden moeten brengen, kan het evenmin doel treffen. Op juistheid kan 's hof oordeel, dat berust op waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet worden getoetst.
15. Middel III bevat, naar mijn lezing, geen klachten die zelfstandige betekenis hebben naast de reeds door middel I en II opgeworpen klachten en kan derhalve evenmin doel treffen.
16. Middel IV mist eveneens zelfstandige betekenis naast de eerder aangevoerde middelen en berust overigens, voor zover het verlangt "het gehele geschil inhoudelijk en in zijn volle omvang" aan de Hoge Raad voor te leggen, op een onjuiste rechtsopvatting omtrent doel en strekking van het beroep in cassatie.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden