ECLI:NL:PHR:2006:AY9684
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijslastverdeling omtrent eigendom auto tussen voormalige levenspartners
Partijen, voormalige levenspartners, zijn in geschil over het eigendomsrecht van een tijdens hun relatie aangeschafte auto. De auto werd gekocht door eiser, maar stond op naam van verweerster die deze na de relatiebreuk onder zich hield. Eiser stelde dat hij de auto slechts in bruikleen had gegeven en vorderde betaling van de koopsom of afgifte van de auto.
De rechtbank wees de vorderingen van eiser af wegens onvoldoende bewijs. In hoger beroep oordeelde het hof dat verweerster als bezitter van de auto op grond van art. 3:109 BW Pro vermoed eigenaar was en dat dit vermoeden niet door eiser was weerlegd. Eiser moest daarom bewijzen dat hij de auto slechts in bruikleen had gegeven. Nadat getuigenverhoren hadden plaatsgevonden, oordeelde het hof dat eiser niet in zijn bewijs was geslaagd en bekrachtigde het vonnis.
In cassatie betwist eiser de bewijslastverdeling, stellende dat degene die schenking beweert moet bewijzen. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat het aan de rechter is om te beoordelen of het vermoeden van eigendom door bezit is weerlegd. Het hof had dit zorgvuldig gemotiveerd en het oordeel is niet in cassatie toetsbaar. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest wordt bekrachtigd.