1.3 Bij vonnis van 14 mei 2003 heeft de rechtbank de vorderingen tegen BTV toegewezen. Daartoe heeft zij overwogen dat de prognose van de houtopbrengst in de door BTV uitgegeven brochures in elk geval een factor 3 te hoog en dus misleidend was, zodat BTV aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade van de beleggers wier beleggingen tot stand gekomen waren vóór september 1995 aangezien vanaf dat moment de brochure vergezeld is gegaan van een brief met verlaagde rendementsprognoses, waarvan de Stichting niet (gemotiveerd) heeft gesteld dat ook deze niet realistisch zou zijn (r.o. 12).
Daarnaast heeft de rechtbank gesteld dat Green Capital als bestuurder van BTV (die beheerder was van het Trustfonds) ervoor heeft gezorgd dat in het Trustfonds geen gelden meer aanwezig zijn als gevolg van onttrekking daarvan in strijd met de doeleinden die zijn neergelegd in de Trustakte, welke Trust nu juist was opgezet om de belangen van de beleggers veilig te stellen. Dit betekent, aldus de rechtbank, dat BTV toerekenbaar tekortgeschoten is en voor de aldus ontstane, door de beleggers geleden, schade aansprakelijk is (r.o. 17).
De vorderingen tegen [verweerder] heeft de rechtbank afgewezen en wel op grond van de volgende overwegingen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Stichting niet duidelijk gemaakt in welk opzicht [verweerder] ten aanzien van de misleidende mededeling door BTV in de brochure persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt (bijvoorbeeld doordat hij tegen beter weten in er voor had gezorgd dat deze mededeling in de brochure was opgenomen), terwijl [verweerder] bovendien heeft gesteld dat de brochure was gebaseerd op een brochure van Bosque Baru welke brochure weer zijn basis vond in een brochure van Bosque Puerto Carillo, met naar beneden aangepaste groeicijfers dankzij overleg met [betrokkene 4] te Wageningen, en voorts de Stichting niet heeft weersproken dat andere beleggingsadviseurs betreffende teakplantages net zulke of zelfs optimistischer prognoses hebben gegeven (r.o. 20).
Volgens de rechtbank kan [verweerder] ook voor wat betreft de schade als gevolg van de onttrekking van de (onderhouds)gelden aan het Trustfonds geen persoonlijk verwijt worden gemaakt. [Verweerder] is per 23 april 1996 afgetreden als directeur van BTV. Het betoog van de Stichting dat [verweerder] in de periode dat hij bestuurder van BTV was gelden heeft doen onttrekken aan het Trustfonds wordt door de rechtbank gepasseerd. Daartoe heeft zij erop gewezen dat [verweerder] ter verantwoording van zijn beheer van het Trustfonds een tweetal rapporten van KPMG over de jaren 1994 en 1995 heeft overgelegd, waaruit enerzijds kan worden afgeleid dat hij het beheer van de plantage heeft gevoerd in een 'appropriate, adequate and timely manner' en anderzijds dat er voldoende gelden voor onderhoud in het fonds aanwezig waren (per datum 31 december 1995). De enkele door de Stichting nog geponeerde stelling dat ten tijde van het vertrek van [verweerder], april 1996, nog het uitgangsbedrag van USD 375.000,- in kas had moeten zijn (150 units x USD 2.500,-), en niet de door KPMG op 5 juni 1996 gerapporteerde USD 248.000,-, strookt volgens de rechtbank niet met het feit dat toen al gedurende twee jaar onderhoud bekostigd had moeten worden. Zodoende dient er vanuit te worden gegaan, aldus vervolgt de rechtbank, dat toen [verweerder] aftrad USD 248.000,- in het Trustfonds aanwezig was en in de periode dat [verweerder] hierover als bestuurder van BTV het beheer voerde deze gelden op juiste wijze zijn aangewend, zodat hem dienaangaand geen verwijt kan worden gemaakt. Dat dit bedrag van USD 248.000,- vervolgens ten onrechte door (Green Capital als opvolgende bestuurder van) BTV uit het Trustfonds is gehaald, kan [verweerder] niet worden verweten, tenzij hij had (moeten) voorzien dat dit zou gaan gebeuren of daarin de hand had, hetgeen niet is gesteld noch anderszins is gebleken (r.o. 21).