ECLI:NL:PHR:2006:AY9977
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging partneralimentatie en toepassing Wet limitering alimentatie na scheiding
De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtelieden over de beëindiging van partneralimentatie op grond van de Wet limitering alimentatie na scheiding (WLA). De man verzocht de alimentatie aan de vrouw te beëindigen na vijftien jaar, conform art. II lid 2 WLA. Het hof te Amsterdam stelde vast dat de alimentatieplicht voor de vrouw op 5 april 1994 was vastgesteld, en dat de termijn van vijftien jaar vanaf die datum zou lopen.
De Hoge Raad oordeelde dat de termijn van vijftien jaar niet aanvangt op de datum van de beschikking (5 april 1994), maar op de datum waarop de alimentatieplicht daadwerkelijk is ingegaan, namelijk 1 januari 1994. Dit volgt uit de tekst en parlementaire geschiedenis van art. II lid 2 WLA. Daarnaast mag de termijn niet worden berekend vanaf de periode waarin voorlopige voorzieningen golden, omdat die geen definitieve alimentatieplicht vormen.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de man omdat ook bij aanvang van de termijn op 1 januari 1994 de termijn van vijftien jaar nog niet was verstreken. Tevens werd bevestigd dat perioden van voorlopige voorzieningen niet meetellen voor de termijnberekening, zeker indien daarin geen onderhoudsbijdrage is vastgesteld wegens gebrek aan draagkracht.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de WLA, met name dat de alimentatieplicht moet zijn aangevangen door een definitieve rechterlijke uitspraak of overeenkomst, en dat voorlopige voorzieningen niet meetellen. De Hoge Raad handhaaft hiermee de redelijkheid en rechtszekerheid in de alimentatiepraktijk.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de termijn van vijftien jaar begint op de datum waarop de alimentatieplicht daadwerkelijk is ingegaan, waarbij voorlopige voorzieningen niet meetellen.