ECLI:NL:PHR:2006:AY9978
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid ontslag op staande voet wegens weigering telefoondienst
De zaak betreft een arbeidsgeschil tussen een werknemer, werkzaam als administrative assistant bij een bank, en haar werkgever over de doorbetaling van loon na ontslag op staande voet. De werknemer werd op 27 februari 2004 ontslagen wegens het niet voldoen aan een redelijke opdracht: het bedienen van de telefoon tijdens ziekte van een collega. De werknemer stelde dat het ontslag nietig was omdat geen dringende reden bestond en zij slechts een voorbehoud maakte over de uitvoering van de opdracht.
In eerste aanleg werd de werkgever veroordeeld tot doorbetaling van loon, omdat onvoldoende aannemelijk was dat er een dringende reden was. Het Gemeenschappelijk Hof stelde dit oordeel bij en oordeelde dat de opdracht tot telefoondienst binnen het takenpakket viel en dat de werknemer onvoldoende bereidwilligheid toonde, wat een dringende reden voor ontslag opleverde.
De werknemer stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Hoge Raad verwierp het beroep, stellende dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat de opdracht redelijk was en dat de gedragingen van de werknemer een dringende reden vormden. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht het feitelijke bewijs en de omstandigheden had meegewogen en dat het cassatiemiddel onvoldoende onderbouwing bood om het oordeel te vernietigen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontslag op staande voet wordt als geldig bevestigd.