ECLI:NL:PHR:2006:AZ0227
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Motivering strafoplegging en toepassing Halbstrafe bij omzetting Duitse straf
De zaak betreft de omzetting van een in Duitsland opgelegde gevangenisstraf van acht jaar en zes maanden naar een Nederlandse gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden. De veroordeelde stelde dat hij in Duitsland na het uitzitten van de helft van zijn straf (de zogenaamde Halbstrafe) in vrijheid zou zijn gesteld, en dat de Nederlandse rechtbank onvoldoende onderzoek had gedaan naar de toepassing van § 57 lid 2 StGB.
De rechtbank had bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van het feit, de persoon van de veroordeelde en internationale gevoeligheden, en had tevens de informatie van de Duitse autoriteiten betrokken bij haar oordeel over de te verwachten duur van de detentie. De rechtbank oordeelde dat de Halbstrafe een separate procedure betreft waarvan de uitkomst afhankelijk is van een rechterlijk oordeel in Duitsland, en dat het niet aan de Nederlandse rechter is om hierop vooruit te lopen.
De Hoge Raad bevestigt dat het onderzoek naar de mogelijke verzwarende gevolgen van de omzetting van de straf niet altijd tot een exact antwoord kan leiden, omdat de werkelijke duur van de detentie in het buitenland afhankelijk is van omstandigheden die ten tijde van de executieovername nog onbekend zijn. De rechtbank heeft voldoende gemotiveerd dat zij rekening hield met de waarschijnlijkheid van vervroegde invrijheidstelling in Duitsland en dat toepassing van § 57 lid 2 StGB geen vanzelfsprekendheid is.
Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot vernietiging van het bestreden vonnis.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de rechtbank heeft voldoende rekening gehouden met de Duitse omstandigheden bij de strafoplegging.