ECLI:NL:PHR:2006:AZ0227

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01439/06 W
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen§ 57 StGBWet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Motivering strafoplegging en toepassing Halbstrafe bij omzetting Duitse straf

De zaak betreft de omzetting van een in Duitsland opgelegde gevangenisstraf van acht jaar en zes maanden naar een Nederlandse gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden. De veroordeelde stelde dat hij in Duitsland na het uitzitten van de helft van zijn straf (de zogenaamde Halbstrafe) in vrijheid zou zijn gesteld, en dat de Nederlandse rechtbank onvoldoende onderzoek had gedaan naar de toepassing van § 57 lid 2 StGB.

De rechtbank had bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van het feit, de persoon van de veroordeelde en internationale gevoeligheden, en had tevens de informatie van de Duitse autoriteiten betrokken bij haar oordeel over de te verwachten duur van de detentie. De rechtbank oordeelde dat de Halbstrafe een separate procedure betreft waarvan de uitkomst afhankelijk is van een rechterlijk oordeel in Duitsland, en dat het niet aan de Nederlandse rechter is om hierop vooruit te lopen.

De Hoge Raad bevestigt dat het onderzoek naar de mogelijke verzwarende gevolgen van de omzetting van de straf niet altijd tot een exact antwoord kan leiden, omdat de werkelijke duur van de detentie in het buitenland afhankelijk is van omstandigheden die ten tijde van de executieovername nog onbekend zijn. De rechtbank heeft voldoende gemotiveerd dat zij rekening hield met de waarschijnlijkheid van vervroegde invrijheidstelling in Duitsland en dat toepassing van § 57 lid 2 StGB geen vanzelfsprekendheid is.

Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot vernietiging van het bestreden vonnis.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de rechtbank heeft voldoende rekening gehouden met de Duitse omstandigheden bij de strafoplegging.

Conclusie

Nr. 01439/06 W
Mr Machielse
Zitting 10 oktober 2006
Conclusie inzake:
[de veroordeelde]
1. Het Landgericht te Düsseldorf heeft [de veroordeelde] op 22 april 2005 voor delicten, strafbaar gesteld in het Betäubungsmittelgesetz, veroordeeld tot een vrijheidsstraf van acht jaar en zes maanden. De Rechtbank Roermond heeft op 24 april 2006 de tenuitvoerlegging in Nederland toelaatbaar verklaard, verlof tot tenuitvoerlegging verleend en aan veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd van vijf jaar en zes maanden.
2. Mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel keert zich tegen de overwegingen in de uitspraak van de rechtbank, waarin de rechtbank de stelling van veroordeelde afwijst dat hij in Duitsland al na ommekomst van de helft van de opgelegde straf in vrijheid zou zijn gesteld.
Deze overwegingen luiden als volgt:
"7. De straffen en/of maatregelen
7.1 De algemene overwegingen.
Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de veroordeelde, zoals een en ander uit het onderzoek zitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de bij voormelde buitenlandse beslissing opgelegde sanctie behoort te worden omgezet in na te melden straf.
7.2 De bijzondere overwegingen
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf, die naar Nederlands recht moet worden opgelegd, meer in het bijzonder rekening gehouden met, enerzijds:
- de ernst van het bewezenverklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving naar Nederlandse maatstaven, en, anderzijds:
- de omstandigheid dat de veroordeelde blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder is veroordeeld;
- met de internationale gevoeligheden ten aanzien van drugsdelicten en de veroordelingen die daarvoor in de regel in Duitsland worden opgelegd.
Zijdens de veroordeelde is gesteld dat de opgelegde vrijheidsstraf niet zou duren tot 21 april 2010, zijnde 2/3 van de opgelegde straf. Daartoe is betoogd dat het in Duitsland gebruikelijk is dat een verdachte, afkomstig uit het buitenland, bij gebleken goed gedrag, op zijn verzoek, na een beoordeling door een rechter, al op het tijdstip waarop de verdachte de helft van de straf heeft uitgezeten, in vrijheid wordt gesteld, de zogeheten "Halbstrafe".
Dienaangaande overweegt de rechtbank dat het hier kennelijk gaat om een separate procedure, waarvoor veroordeelde in aanmerking zou kunnen komen indien hij aan de daarvoor geldende voorwaarden zou (blijven) voldoen en waarvan de uitkomst afhankelijk is van een rechterlijk oordeel.
De rechtbank is van oordeel dat uitgaan van de "Halbstrafe" niet aan de orde kan zijn, nu alsdan teveel gepreludeerd zou worden op een mogelijk toekomstig oordeel van een Duits rechter en daarmee voorts wordt miskend dat ingevolgde de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen uitgegaan moet worden van het voorliggende strafvonnis.
Ook het betoog zijdens veroordeelde dat hij een Duits aanbod voor een lagere strafeis (welke gewoonlijk zou worden gevolgd) heeft afgewezen omdat hij uit angst voor represailles niet wenste te voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarde van medewerking met de opsporingsinstanties is een factor waar de rechtbank geen rekening mee kan houden. Ook hier geldt dat dan miskend zou worden dat ingevolgde de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen uitgegaan moet worden van het voorliggende strafvonnis."
3.2. Volgens de steller van het middel zou toepassing van paragraaf 57 StGB (ten onrechte verwijst het middel naar § 57 StPO) ertoe hebben geleid dat veroordeelde in Duitsland al na vier jaar en drie maanden in vrijheid zou zijn gesteld. De rechtbank heeft ten onrechte verzuimd naar de mogelijkheid van toepassing van paragraaf 57 lid 2 StGB een onderzoek in te stellen.
3.3. Het onderzoek dat de rechter moet instellen als de veroordeelde het verweer voert dat door de omzetting van de straf de strafrechtelijke positie van hem dreigt te worden verzwaard als bedoeld in art. 11, eerste lid onder d, van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Trb. 1983, 74) zal niet steeds kunnen resulteren in een met precisie te geven antwoord. De werkelijke duur van de detentie in het buitenland is - alhoewel gebruikelijk ingebed in een systeem van vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling dat veelal in beginsel kenbaar is - dikwijls afhankelijk van omstandigheden en beslissingen die ten tijde van de executieovername nog onbekend zijn. Dat kan ertoe leiden dat de rechter zijn oordeel noodgedwongen moet baseren op de waarschijnlijkheid van de onderscheiden strafrechtelijke positie van de veroordeelde in de staat van veroordeling dan wel de staat van tenuitvoerlegging.(1)
3.4. Onder de stukken waarvan de rechtbank kennis heeft genomen bevindt zich een verzoek van het Ministerie van justitie van Noordrijnland-Westfalen aan het Nederlandse Ministerie van justitie om de verdere tenuitvoerlegging van de in Duitsland opgelegde straf over te nemen. Dat verzoek houdt onder meer het volgende in:
"Das Strafende ist auf den 21.02.2013 notiert; zwei Drittel der Freiheitsstrafe werden am 21.04.2010 verbüßt sein. Gegen eine Strafaussetzung zur Bewahrung zum letzt-genannten Zeitpunkt bestehen aus Sicht der deutschen Behörden keine Bedenken."
3.5. Aldus heeft de rechtbank door te verwijzen naar de stukken tot uitdrukking gebracht dat zij bij het bepalen van de op te leggen straf voor wat betreft de te verwachten vervroegde invrijheidstelling rekening heeft gehouden met hetgeen daaromtrent door de Duitse autoriteiten was medegedeeld en heeft zij haar uitspraak op dit punt voldoende gemotiveerd.(2) Dat de rechtbank toepassing van paragraaf 57 lid 2 StGB niet als op voorhand zo zeker heeft beschouwd dat zij daarmee in haar beslissing rekening diende te houden acht ik niet onbegrijpelijk. Toepassing van paragraaf 57 lid 2 StGB is immers geen regel en hangt af van de omstandigheden van het geval en het gedrag van veroordeelde.(3) Daarbij kan een rol spelen dat een verdachte met het oog op het begaan van strafbare feiten Duitsland is binnengekomen.(4) Ook het verlenen van 'Aufklärungshilfe', medewerking met politie en justitie in de strafzaken tegen leveranciers en afnemers, kan gewicht in de schaal leggen.(5)
3.6. De rechter dient de in het buitenland opgelegde sanctie in beginsel te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, zij het dat de rechter bij die vervanging tevens rekening dient te houden met internationale gevoeligheden.(6) De rechter dient rekening te houden met de persoon van de dader. De rechtbank heeft in het algemeen verwezen naar de persoon van de veroordeelde zoals die uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en voorts gememoreerd dat betrokkene niet eerder is veroordeeld. Aldus is de strafoplegging toereikend gemotiveerd. De rechtbank was niet gehouden afzonderlijk in te gaan op hetgeen de advocaat over de detentie van veroordeelde in Duitsland naar voren bracht. De Duitse rechter had daarmee al rekening gehouden in zijn strafoplegging en de rechtbank heeft blijkens zijn uitspraak acht geslagen op dat Duitse vonnis.
4. Het middel faalt. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Zie HR NJ 1998, 369; HR NJ 2000, 334.
2 HR 6 juli 1999, NJB 1999, p.1567, nr. 123.
3 Zie BGH 22 juli 1988, NStZ 1988, p. 495; OLG Frankfurt a.M. 9 juli 2002, NStZ-RR 2002, p. 282. Zie ook OLG Frankfurt a.M. 27 mei 1999, NStZ-RR 1999, p. 340.
4 Schönke/Schröder 26e druk, 24/57.
5 OLG Frankfurt a.M. 8 mei 1996, NStZ-RR 1996, p. 213.
6 HR NJ 1995, 199; HR 31 januari 1995, NJB 1995, p. 182, nr. 52; HR 18 mei 2004, LJN AO6410.