ECLI:NL:PHR:2006:AZ0229
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toelaatbaarheid uitlevering en toepassing specialiteitsbeginsel in drugstransportzaak
De zaak betreft een cassatieberoep tegen de beslissing van de Rechtbank Amsterdam die de uitlevering van een persoon aan Noorwegen toelaatbaar verklaarde voor strafvervolging en executie, met uitzondering van een verkeersovertreding.
De verdediging voerde aan dat de rechtbank art. 12 van Pro de Uitleveringswet schond door niet duidelijk te maken welk deel van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaar en drie maanden betrekking had op de verkeersovertreding, waardoor onduidelijkheid ontstond over de strafvermindering die de uitlevering zou moeten ondergaan. De Hoge Raad oordeelde dat het aan de Minister van Justitie is om hierover nadere informatie in te winnen bij de Noorse autoriteiten en dat de rechter niet bevoegd is om hierover te beslissen.
Daarnaast werd geklaagd over onvoldoende nauwkeurige feitomschrijving in het uitleveringsverzoek. De Hoge Raad stelde dat de feitomschrijving, hoewel ruim geformuleerd als 'periode vóór 30 maart 2006', in samenhang met het feit dat op die datum een poging tot drugstransport werd onderbroken, voldoende nauwkeurig is om aan de eisen van de Uitleveringswet te voldoen.
De Hoge Raad vond geen gronden voor ambtshalve vernietiging en verwierp het cassatieberoep, waarmee de toelaatbaarheid van de uitlevering werd bevestigd onder de gestelde voorwaarden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering wordt toegestaan onder de gestelde voorwaarden.