1 Ontleend aan rovv. 2.3.1 t/m 2.3.9 van het tussenarrest van het hof van 5 september 2003.
2 De brief van de Rabobank is op 1 december 1998 gedateerd, omdat [verweerder] de afwijzing schriftelijk bevestigd aan [eiseres] ter hand wilde stellen, aldus [verweerder] in zijn conclusie van dupliek in conventie, tevens houdende conclusie van repliek in reconventie, onder nr. 23. Volgens [verweerder] geldt hetzelfde voor de in 2.4. en 2.5. bedoelde brieven van ABN AMRO van respectievelijk 1 en 2 april 1998. ABN AMRO zou [verweerder] al medio maart 1998 hebben laten weten dat zij de gevraagde financiering niet zou verstrekken (zie memorie van grieven, nr. 12).
3 Ten bedrage van f. 200.000; zie o.m. rov. 1.4 van het vonnis van de rechtbank van 11 januari 2001 in verbinding met rov. 2.2 van het tussenarrest van het hof van 5 september 2003.
4 Aanvankelijk had [verweerder] in reconventie tevens de ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd alsmede de veroordeling van [eiseres] tot ontruiming van het betreffende pand. Deze vorderingen heeft [verweerder] echter later - bij conclusie van repliek in reconventie (nr. 31) - weer ingetrokken.
5 [Betrokkene 1] is derhalve sindsdien geen partij meer in deze procedure.
6 In reconventie heeft het hof de zaak voorts verwezen naar een nadere rolzitting teneinde [verweerder] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de schade die hij als gevolg van het beslag stelt te hebben geleden.
7 Het arrest dateert van 12 april 2005; de cassatiedagvaarding is uitgebracht op 12 juli 2005.
8 Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie (2005), nr. 103.
9 Zie de cassatiedagvaarding, p. 2, derde alinea, waar wordt betoogd dat zich in deze zaak een uitzondering op de hoofdregel - dat een 'bewijswaarderingsoordeel' in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst - voordoet.
10 Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, a.w., nr. 121, alsmede - in dezelfde zin in het kader van de uitleg van wilsverklaringen - Asser-Hartkamp 4-II, 2005, nr. 284: cassatie is mogelijk indien het beding in kwestie in redelijkheid slechts één uitleg toelaat en de rechter desalniettemin van een andere uitleg is uitgegaan.
11 Terzijde merk ik op dat de getuigenverklaring van [betrokkene 2] zakelijk overeenstemt met hetgeen hij reeds op 21 maart 2001 schriftelijk verklaard had: zie prod. 2 bij MvG.
12 [Betrokkene 2] heeft daarentegen ten aanzien van de 'aanloopverliezen' verklaard dat deze niet als te financieren kosten zijn benoemd.
13 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. CJHB, AA 1981, p. 355 m.nt. PvS.
14 Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie (2005), nr. 121: 'Scherpzinnige detailkritiek op de motivering is niet voldoende om vernietiging in cassatie te verkrijgen. Daarvoor is nodig dat de motivering gebreken vertoont, die ook met een welwillende uitleg niet kunnen worden opgeheven.'
15 Terzijde maar illustratief zij gewezen op prod. 3 bij MvG (brief Rabobank Oude Tonge d.d. 8 maart 2001).
16 Dit was eigenlijk het subsidiaire betoog van [eiseres]. Primair stelde zij zich op het standpunt dat het financieringsvoorbehoud slechts betrekking had op de aankoopprijs van het horecabedrijf, te weten f. 80.000 (zie - voor een weergave van de stellingen van [eiseres] - rov. 3.9 en 3.10 van het vonnis van de rechtbank van 11 januari 2001; zie ook de MvA, p. 9).
17 Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, a.w., nr. 122.
18 Zie rov. 2.3.6 van het tussenarrest van het hof van 5 september 2003. Het hof heeft daarbij geen bedrag genoemd. De rechtbank had dat wel gedaan (zie rov. 1.4 van het vonnis van de rechtbank van 11 januari 2001).
19 Het eigen vermogen van [verweerder] was - blijkens de getuigenverklaring van [betrokkene 2] - niet in het koopcontract 'ingevuld' (zie rov. 2.3 van het bestreden arrest), hetgeen er m.i. op duidt dat [eiseres] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet bekend was met de hoogte van het eigen vermogen van [verweerder].
20 Zie p. 4 van de cassatiedagvaarding: 'Het hof heeft deze (en overige) relevante omstandigheden (cursivering toegevoegd; A-G) niet in zijn beschouwing betrokken.'