ECLI:NL:PHR:2006:AZ1502

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/095HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 FwArt. 67 FwArt. 426 RvArt. 110 FwArt. 111 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling inzageverzoek niet-schuldeiser in faillissementsdossier afgewezen door Hoge Raad

Bij vonnis van de rechtbank te Maastricht werden drie vennootschappen failliet verklaard en werd een curator benoemd. Verzoeker, voormalig bestuurder en indirect aandeelhouder, vroeg inzage in het niet-openbare gedeelte van het faillissementsdossier, maar dit verzoek werd door de rechter-commissaris en de rechtbank afgewezen. De rechtbank oordeelde dat verzoeker geen schuldeiser was in de zin van art. 69 Faillissementswet Pro (Fw) en dat zijn belang onvoldoende was om inzage te verkrijgen.

Verzoeker stelde dat hij als schuldeiser met een ingediende vordering en als bestuurder belanghebbende was, maar de Hoge Raad verwierp deze stellingen. De Raad benadrukte dat een verzoek op grond van art. 69 Fw Pro alleen door schuldeisers, de gefailleerde of een schuldeiserscommissie kan worden gedaan. Het indienen van een vordering bij de curator is in principe voldoende om als schuldeiser te worden beschouwd, tenzij de vordering onherroepelijk is afgewezen. In dit geval was de vordering van verzoeker nog niet definitief erkend.

De Hoge Raad oordeelde dat het belang van verzoeker vooral een privébelang betrof en niet gericht was op het beïnvloeden van het beheer van de boedel. Het inzageverzoek was bedoeld om informatie te verzamelen voor een mogelijke claim tegen de curator en voor een andere procedure, wat niet onder art. 69 Fw Pro valt. De rechtbank had terecht een belangenafweging gemaakt en het verzoek afgewezen. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het verzoek om inzage in het niet-openbare faillissementsdossier werd afgewezen omdat verzoeker geen schuldeiser is en het belang niet gericht is op het beheer van de boedel.

Conclusie

R06/095HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 3 november 2006
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
mr. B.W.A. Muurmans q.q.
Deze zaak betreft de afwijzing van een verzoek tot inzage in het niet-openbare gedeelte van het faillissementsdossier.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Bij vonnis van de rechtbank te Maastricht van 15 december 2004 zijn de vennootschappen [A] B.V., [B] B.V. en [C] B.V. in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. B.W.A. Muurmans (thans verweerder in cassatie) tot curator. Verzoeker tot cassatie, [verzoeker], was bestuurder van voormelde vennootschappen en indirect aandeelhouder in [A] B.V.
1.2. Bij brief van 27 april 2006 aan de rechter-commissaris in de genoemde faillissementen heeft de raadsvrouwe van [verzoeker] verzocht [verzoeker] inzage te verlenen in het niet-openbare gedeelte van het faillissementsdossier. De curator heeft zich tegen de verlangde inzage verzet.
1.3. De rechter-commissaris heeft op 17 mei 2006 het verzoek om inzage afgewezen. Hij overwoog onder meer dat de omstandigheid dat [verzoeker] - die niet de gefailleerde is, noch een der schuldeisers in deze faillissementen - "vraagtekens plaatst" bij de legitimiteit van de activatransactie op 12 januari 2005 (toen de curator de activa van de vennootschappen verkocht aan Wave International B.V.) en de daarbij gevolgde biedingsprocedure, onvoldoende belang oplevert om hem de gevraagde inzage toe te staan.
1.4. [Verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen deze afwijzing. Bij beschikking van 11 juli 2006 heeft de rechtbank de beschikking van de rechter-commissaris bekrachtigd. De rechtbank heeft eerst de vraag besproken of [verzoeker] schuldeiser in een van deze faillissementen is; de curator had dit ontkend. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] zijn desbetreffende stelling onvoldoende heeft onderbouwd en heeft op die grond het hoger beroep verworpen (rov. 3.4). In een overweging ten overvloede heeft de rechtbank als maatstaf gehanteerd dat de aan een schuldeiser toekomende bevoegdheid in beginsel slechts is gegeven om hem invloed toe te kennen op het beheer over de failliete boedel en om, zo hij meent dat bij dit beheer fouten zijn gemaakt, deze te doen herstellen of te voorkomen, doch niet om hem in de gelegenheid te stellen op deze eenvoudige wijze aan hem persoonlijk toekomende rechten tegenover de boedel geldend te maken (rov. 3.5). Aan deze maatstaf is volgens de rechtbank niet voldaan (rov. 3.6)(1).
1.5. Namens [verzoeker] is - tijdig(2) - beroep in cassatie ingesteld. De curator heeft het cassatieberoep tegengesproken.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Een bevel van de rechter-commissaris aan de curator als bedoeld in art. 69 Fw Pro kan mede een bevel omvatten tot het verstrekken van informatie(3). Een verzoek op de voet van art. 69 lid 1 Fw Pro kan uitsluitend worden ingediend door de schuldeisers, door de commissie uit de schuldeisers als bedoeld in de Faillissementswet en door de gefailleerde zelf(4). De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] niet tot een van deze categorieën behoort en heeft primair op die grond het verzoek afgewezen.
2.2. Het middel komt tegen dit oordeel op met twee klachten (cassatierekest onder 3.4) die in het kort inhouden:
a. de rechtbank is in rov. 3.4 abuis, waar zij oordeelt dat [verzoeker] niet kan worden aangemerkt als een schuldeiser in het faillissement: [verzoeker] heeft op 13 juni 2006 een vordering bij de curator aangemeld waarop nog niet (in een renvooiprocedure) is beslist.
b. de rechtbank is ten onrechte zonder motivering voorbijgegaan aan de stelling van [verzoeker], dat hij als bestuurder van de gefailleerde vennootschappen in het kader van art. 69 Fw Pro als belanghebbende dient te gelden.
2.3. Art. 110 Fw Pro bepaalt dat de indiening van de schuldvorderingen bij de curator geschiedt door overlegging van een rekening of andere schriftelijke verklaring, die de aard en het bedrag van de vordering aangeeft. De curator toetst de ingekomen vorderingen en brengt deze over op de lijst van voorlopig erkende vorderingen of op de lijst van betwiste vorderingen (art. 111-112 Fw). Vervolgens vindt een verificatievergadering plaats (art. 114-121 Fw); zo nodig kan verwijzing naar een terechtzitting van de rechtbank plaatsvinden (renvooi; art. 122 Fw Pro). De schuldeiser wiens vordering betwist wordt, is tot staving daarvan tot geen nader of meerder bewijs gehouden dan hij tegen de gefailleerde zelf zou moeten leveren (art. 123 Fw Pro). De Faillissementswet voorziet erin dat bepaalde rechten slechts kunnen worden uitgeoefend door erkende of voorwaardelijk toegelaten schuldeisers (bijv. het stemrecht, art. 82 Fw Pro). Andere rechten, zoals dat van art. 69 Fw Pro, kunnen worden uitgeoefend door iedere schuldeiser, dus ook door een schuldeiser die bij de curator een vordering heeft ingediend welke door de curator is betwist(5).
2.4. Om voor de toepassing van art. 69 Fw Pro als `schuldeiser' te worden beschouwd is in het algemeen voldoende dat de betrokkene bij de curator een vordering heeft ingediend ter verificatie(6). De status van `schuldeiser' in de zin van art. 69 Fw Pro blijft voortduren tot het faillissement is afgewikkeld, tenzij de vordering voordien is ingetrokken of in een renvooiprocedure onherroepelijk is beslist dat de gepretendeerde vordering op de gefailleerde niet bestaat.
2.5. Deze regel is gevoelig voor misbruik, in die zin dat het betrekkelijk gemakkelijk is een gefingeerde vordering op de gefailleerde op schrift te stellen en bij de curator in te dienen teneinde zich langs die weg de positie van `schuldeiser' in de zin van (art. 69 van Pro) de Faillissementswet te verwerven. Hiertegen waakt in de eerste plaats de strafbepaling van art. 344, aanhef en onder 2, Sr(7). In de tweede plaats bepaalt art. 3:13 in Pro verbinding met art. 3:15 BW Pro dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt haar niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt(8). In de derde plaats kan de curator in de procedure als bedoeld in art. 69 Fw Pro betwisten dat de betrokkene de hoedanigheid van schuldeiser in het faillissement heeft. Wanneer deze betwisting stoelt op een inhoudelijk verweer tegen de vordering, zal de rechter in het algemeen oordelen dat in het stelsel van de Faillissementswet de verificatievergadering en zo nodig de renvooiprocedure, doch niet de procedure ex art. 69 Fw Pro, de plaats is waar de beslissing over het bestaan en de omvang van de vordering wordt genomen(9). Echter, in gevallen waarin reeds in de procedure ex art. 69 Fw Pro duidelijk is dat het gepretendeerde vorderingsrecht niet bestaat mag de rechter oordelen dat de betrokkene geen schuldeiser in het faillissement is(10). Waar de rechtbank overweegt dat het door [verzoeker] gestelde niet toereikend is om hem als schuldeiser aan te merken, lijkt zij deze route te hebben gevolgd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk; de motivering kan het oordeel dragen. De klacht onder (a) faalt.
2.6. De rechtbank heeft in rov. 3.2 vastgesteld dat [verzoeker] in ieder geval niet de gefailleerde is. Deze constatering is in cassatie niet bestreden. Door de vooropstelling in rov. 3.1 heeft de rechtbank voldoende tot uitdrukking gebracht op welke grond zij aan de onder (b) bedoelde stelling van [verzoeker] is voorbijgegaan. Voor zover de klacht veronderstelt dat een bestuurder van de gefailleerde vennootschap voor de toepassing van art. 69 Fw Pro zonder meer kan worden gelijkgesteld met de `schuldenaar', gaat zij niet op. In HR 10 mei 1985, NJ 1985, 791 m.nt. G, reeds aangehaald, is gewezen op de strekking van artikel 69: zij Pro beoogt de curator te stellen onder controle "van hen in wier belang hij is aangesteld". De bestuurder van de vennootschap behoort als zodanig niet tot degenen in wier belang de curator is aangesteld(11). De motiveringsklacht onder (b) faalt.
2.7. De overige klachten hebben betrekking op de overweging ten overvloede. Het middel klaagt dat de vereiste belangenafweging ten onrechte achterwege is gebleven (blz. 6, rubriek 3.4, herhaald op blz. 7) en wijst in dit verband op HR 22 september 1995, NJ 1997, 339 m.nt. EAA.
2.8. In HR 22 september 1995 is beslist dat de gefailleerde niet elke aanspraak op inzage van de niet openbare stukken in het faillissementsdossier ontbeert. In verband met de aard van de gegevens die zich in het niet openbare gedeelte van het dossier kunnen bevinden en die zowel het vermogen als andere aspecten van de persoon van de gefailleerde kunnen betreffen, moet worden aangenomen dat hij een zodanige inzage moet kunnen verlangen en dat de vraag of aan een zodanig verlangen gevolg moet worden gegeven, door de rechter moet worden beoordeeld aan de hand van een afweging van het belang van de gefailleerde bij de inzage tegen de eventuele belangen die zich tegen inzage verzetten. Indien de rechter het verzoek om inzage afwijst, moet uit de motivering blijken dat deze afweging heeft plaatsgevonden.
2.9. Het middel gaat m.i. eraan voorbij, dat de in HR 22 september 1995 gegeven maatstaf geldt voor een verzoek tot inzage door de gefailleerde. [Verzoeker] is niet de gefailleerde. Relevanter dan de verwijzing naar HR 22 september 1995 lijkt mij, dat een belangenafweging ook is voorgeschreven in (rov. 3.7 van) HR 21 januari 2005, NJ 2005, 249, in welke zaak het ging om een verzoek van een schuldeiser om inzage. De rechtbank heeft deze beschikking van de Hoge Raad tot uitgangspunt genomen in rov. 3.5.
2.10. In een reeks uitspraken is overwogen dat het voorschrift van art. 69 Fw Pro(12) in beginsel slechts is gegeven om de daarin genoemde personen invloed toe te kennen op het beheer van de boedel en om, zo zij menen dat bij dat beheer fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of te voorkomen, maar niet om hen in de gelegenheid te stellen op deze eenvoudige wijze aan hen persoonlijk toekomende rechten tegenover de boedel geldend te maken(13). F.M.J. Verstijlen heeft in reactie op deze jurisprudentie betoogd dat deze niet te beperkt moet worden opgevat. Naast de gevallen waarin het belang van de desbetreffende schuldeiser parallel loopt met dat van de boedel, zou art. 69 Fw Pro zijns inziens ook ruimte (moeten) bieden aan schuldeisers om voor hun individuele belangen op te komen. Steeds zou een afweging moeten plaatsvinden van enerzijds het belang van de desbetreffende schuldeiser en anderzijds het belang van de boedel. Een verzoek van een schuldeiser zou niet zonder meer mogen worden afgewezen op de grond dat de boedel niet is gebaat bij gegrondbevinding van het verzoek(14).
2.11. In de beschikking van 21 januari 2005, NJ 2005, 249, rov. 3.7, wordt inderdaad uitgegaan van een afweging van de wederzijdse belangen. Dit impliceert niet dat de schuldeiser ieder willekeurig belang op de weegschaal van art. 69 Fw Pro kan leggen. Of het belang van de desbetreffende schuldeiser nu wel of niet parallel loopt met het belang van de boedel, vereist is in ieder geval (rov. 3.6 van de zo-even genoemde beschikking) dat het verzoek ertoe dient de betrokkene invloed toe te kennen op het beheer over de failliete boedel en, zo hij meent dat bij dit beheer fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of te voorkomen.
2.12. De rechtbank heeft in rov. 3.6 beslist dat de gronden, die [verzoeker] aanvoert ter onderbouwing van zijn verzoek om inzage, niet betrekking hebben op het beheer van de boedel. De rechtbank heeft hiermee een juiste maatstaf aangelegd. Onbegrijpelijk is het oordeel niet. In rubriek 3.2 van het cassatierekest wordt in dit verband geklaagd, dat de rechtbank niet de stelling van [verzoeker] heeft onderkend dat de biedingsprocedure voorafgaand aan de activatransactie op 12 januari 2005 schimmig en discutabel was. Volgens het middelonderdeel had het inzageverzoek zonder meer moeten worden toegewezen, opdat kan worden beoordeeld of de curator in zijn beheer, respectievelijk de rechter-commissaris in het op dit beheer uit te oefenen toezicht, is tekortgeschoten.
2.13. In abstracto lijkt mij juist, dat het onderzoek naar een door de curator verrichte verkoop van activa van de gefailleerde vennootschap kan worden begrepen onder het beheer van de boedel. In concreto echter overheerste bij dit verzoek een privébelang van [verzoeker]. Hij stelde dat hij samen met [betrokkene 1] had meegedongen naar de koop van de activa van de gefailleerde vennootschappen. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, heeft de toenmalige raadsman van [verzoeker] op een vraag van de rechtbank verklaard:
"In antwoord op vraag van u, rechtbank, kan ik verklaren dat het belang van mijn [verzoeker] bij de verzochte informatie is te onderzoeken of alles regulier is verlopen bij de verkoop, om te kijken of er grond bestaat voor het indienen van een claim tegen de curator en om informatie te verzamelen die kan worden gebruikt in de beroepsprocedure ten aanzien van de beslissing van de rechtbank in de zaak betreffende de rekening-courantschuld van [verzoeker] aan de holdingmaatschappij."
De rechtbank heeft uit de stellingen en deze toelichting van [verzoeker] blijkbaar afgeleid dat het verlangde bevel niet werd verzocht om invloed uit te oefenen op het beheer van de boedel, noch om fouten bij het beheer van de boedel te herstellen of te voorkomen, maar uitsluitend om informatie te verzamelen ten behoeve van een door [verzoeker] te voeren procedure. Hoezeer dit ook een respectabel belang moge zijn - het Wetboek van Rechtsvordering biedt verscheidene mogelijkheden tot instructie ter voorbereiding van een procedure -, het is niet een belang waarvoor de procedure van art. 69 Fw Pro is bedoeld.
2.14. De motiveringsklacht in rubriek 3.1 van het cassatierekest, inhoudend dat de rechtbank heeft verzuimd in te gaan op de stelling van [verzoeker] omtrent een op 22 december 2004 tussen hem en de curator gesloten overeenkomst, met betrekking tot de afwikkeling van een rekening-courantschuld van [verzoeker] aan [A] B.V., faalt. Niet duidelijk is - en het middel geeft ook niet aan - waarom die stelling tot toewijzing van het inzageverzoek had kunnen of moeten leiden(15). Indien [verzoeker] van mening is dat hij ten onrechte is aangesproken voor deze rekening-courantschuld, heeft de rechtbank evenzeer mogen oordelen dat het verzoek om inzage niet voldoet aan de hiervoor (in alinea 2.10) bedoelde maatstaf.
2.15. Rubriek 3.3 van het cassatierekest geeft een feitenoverzicht, maar bevat geen rechts- of motiveringsklacht die aan de norm van art. 426a lid 2 Rv voldoet. Voor zover bedoeld is dat de beslissing onbegrijpelijk is omdat de rechtbank niet met zoveel woorden is ingegaan op de gestelde feiten, mist de klacht doel. De omstandigheid dat de curator de activa aan Wave International heeft verkocht, in elk geval aan een ander dan aan [betrokkene 1] en [verzoeker], en dat [verzoeker] nadien door de koper van de activa in een procedure is betrokken, maakt nog niet dat het verzoek om inzage strekt tot het bereiken van het in alinea 2.11 besproken doel.
2.16. Daar waar het middel veronderstelt dat de rechtbank zich heeft beperkt tot enkel de beantwoording van de vraag of [verzoeker] schuldeiser van de boedel was (cassatierekest blz. 6 en 7) mist het feitelijke grondslag: zoals gezegd berust het oordeel van de rechtbank op twee gronden.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Met de curator (verweerschrift in cassatie onder 3.2) deel ik de mening dat beide gronden (rov. 3.4 resp. rov. 3.5 - 3.6) zelfstandig de beslissing van de rechtbank kunnen dragen. Faalt het middel ten aanzien van één van deze gronden, dan kunnen de klachten tegen de andere grond onbehandeld blijven.
2 Binnen tien dagen; art. 67 Fw Pro in verbinding met art. 426 Rv Pro.
3 HR 21 januari 2005, NJ 2005, 249, rov. 3.6, m.nt. PvS onder nr. 250. Zie ook: HR 21 januari 2005, NJ 2005, 250 m.nt. PvS; JOR 2004 nr. 104 m.nt. R.J. Abendroth onder nr. 105, AA 2005, blz. 254 e.v. m.nt. R.D. Vriesendorp, Ondernemingsrecht 2005/17, blz. 620 e.v., m.nt. De Liagre Böhl).
4 De opsomming is blijkens de wetgeschiedenis limitatief bedoeld: HR 10 mei 1985, NJ 1985, 791 m.nt. G.
5 Vgl. T&C Faillissementswet, aant. 2 op art. 69 (Elskamp en Van der Heijden).
6 In HR 31 december 1925, NJ 1926, blz. 316 m.nt. EMM, werd in een cassatiemiddel aangevoerd dat de rechtbank in strijd met art. 69 Fw Pro een bevel aan de curator had gegeven tot afgifte van goederen: de betrokkene zou slechts een revindicatie hebben beoogd en niet hebben gesteld dat hij schuldeiser in het faillissement was. De Hoge Raad verwierp deze klacht op de grond dat in de feitelijke instanties niet was betwist dat de betrokkene schuldeiser was, dat dit verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden opgeworpen en dat geen wettelijk voorschrift eist dat de betrokkene uitdrukkelijk stelt dat hij schuldeiser is.
7 Zie hierover: losbl. Faillissementswet, aant. 4 op art. 110 (R.J. van Galen en E.W.J.H. de Liagre Böhl).
8 Vgl. HR 20 februari 2004, NJ 2004, 252, rov. 3.3.
9 Vgl. alinea 3.11 - 3.12 van de conclusie van de A-G Van Soest voor HR 30 november 1990, NJ 1991, 129; de Hoge Raad kwam toen niet toe aan het desbetreffende cassatiemiddel.
10 Zo werd in de zaak HR 20 februari 2004, NJ 2004, 252, rov. 3.2, aangenomen dat de betrokkene op de door het aangevoerde grondslag geen schuldeiser van de gefailleerde kón zijn.
11 De vraag of een voormalig bestuurder als voorwaardelijk schuldeiser in het faillissement van de vennootschap een verzoek als bedoeld in art. 69 Fw Pro kan doen, kwam aan de orde in HR 20 februari 2004, NJ 2004, 252.
12 Hetzelfde geldt ten aanzien van 65 Faillissementsbesluit Ned. Antillen.
13 HR 31 december 1925, NJ 1926, blz. 316, m.nt. EMM. Zie van de latere rechtspraak onder meer: HR 10 mei 1985, NJ 1985, 792 m.nt. G; HR 18 februari 1994, NJ 1994, 754 m.nt. HJS; HR 9 september 1994, NJ 1995, 344 m.nt. HJS; HR 16 juni 1995, NJ 1996, 553 m.nt. HJS; HR 9 juni 2000, NJ 2000, 577 m.nt. PvS; HR 21 januari 2005, NJ 2005, 249, rov. 3.6.
14 F.M.J. Verstijlen, De faillissementsprocedure van art. 69 Fw Pro, WPNR 6127 (1994), blz. 178-183; dezelfde auteur in: Advocatenblad 1994, blz. 857-859. Zie ook de noten van Verstijlen onder HR 9 juni 2000, JOR 2000, 158, en HR 5 september 2003, JOR 2003, 289. Anders: Polak-Wessels, Insolventierecht, deel IV (2001), nr. 4229.
15 In gelijke zin: verweerschrift in cassatie onder 3.4.