ECLI:NL:PHR:2006:AZ1670
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake rechtshulpverzoek DNA-onderzoek in strafrechtelijk onderzoek
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van wensouders tegen een beschikking van de rechtbank Utrecht die verlof verleende om DNA-materiaal van een kind af te nemen en ter beschikking te stellen aan Belgische autoriteiten in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in België.
De Hoge Raad oordeelt primair dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat de wensouders geen klaagschrift hebben ingediend en volgens de wet slechts het Openbaar Ministerie en de klager in cassatie kunnen worden ontvangen tegen dergelijke beschikkingen. De wensouders waren wel als belanghebbenden erkend, maar dat geeft hen geen cassatierecht zonder klaagschrift.
Inhoudelijk gaat de Hoge Raad in op de toetsing van het rechtshulpverzoek, waaronder de vraag van dubbele strafbaarheid van het strafbare feit tussen België en Nederland. De Hoge Raad bevestigt dat het vereiste van dubbele strafbaarheid lichter is volgens het Schengenuitvoeringsakkoord (SUO) dan volgens het Benelux-uitleverings- en rechtshulpverdrag (BUV). De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat aan dit vereiste is voldaan.
Verder wijst de Hoge Raad de bezwaren van de wensouders tegen het DNA-onderzoek en de procedure af, waaronder het beroep op het vertrouwensbeginsel en het verweer dat het verzoek onrechtmatig is. Ook het verweer dat stukken zijn onthouden faalt. De Hoge Raad bevestigt dat het gezag over het kind bij Bureau Jeugdzorg lag en dat de toestemming voor het afnemen van celmateriaal rechtsgeldig was gegeven.
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de beschikking van de rechtbank.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de wensouders wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een klaagschrift.