ECLI:NL:PHR:2006:AZ1685
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bevel tot DNA-onderzoek in woninginbraakzaak
In deze zaak is de verdachte veroordeeld voor diefstal met inbraak in een woning. De discussie richt zich op de rechtmatigheid van het bevel tot afname van DNA-materiaal op grond van artikel 151b Wetboek van Strafvordering. De verdediging stelde dat het bevel uitsluitend was gegeven om het DNA-profiel van de verdachte in de landelijke DNA-databank op te nemen, wat misbruik van bevoegdheid zou zijn.
Het hof heeft geoordeeld dat het bevel niet onrechtmatig was en dat het DNA-onderzoek ook kan worden bevolen ter bevestiging van reeds verkregen onderzoeksresultaten, zoals verklaringen van de verdachte. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het onderzoeksbelang niet beperkt is tot gevallen waarin DNA-onderzoek de enige manier is om bewijs te verkrijgen, maar ook geldt wanneer het steun kan geven aan reeds verzamelde aanwijzingen.
Verder is vastgesteld dat het bevel is gegeven in het kader van een onderzoek naar een woninginbraak waarbij onder meer een gestolen auto en mobiele telefoon betrokken waren. Het hof achtte het redelijk dat de officier van justitie het bevel gaf om de identiteit van de dader vast te stellen. Het feit dat de resultaten van het DNA-onderzoek niet als bewijs zijn gebruikt, doet niet af aan de rechtmatigheid van het bevel. Het cassatieberoep is verworpen.
Uitkomst: Het bevel tot DNA-afname was rechtmatig en het cassatieberoep wordt verworpen.