ECLI:NL:PHR:2006:AZ2145
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijsuitsluiting bij onbevoegd betreden erf zonder redelijk vermoeden van schuld
In deze zaak stond centraal of het onbevoegd betreden van een afgesloten erf zonder redelijk vermoeden van schuld, waarbij een henneplucht werd geroken, moest leiden tot bewijsuitsluiting van het verkregen bewijs. Het hof had geoordeeld dat sprake was van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv, omdat de politie zonder redelijk vermoeden over een hek van een meter stapte en het erf betrad, wat een inbreuk op de privacy van de verdachte betekende.
Het hof verwierp echter het beroep op bewijsuitsluiting vanwege de beperkte aard van de privacy-inbreuk en besloot het vormverzuim te verdisconteren in de strafoplegging door strafvermindering toe te passen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat bewijsuitsluiting alleen aan de orde komt indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.
De Hoge Raad benadrukte dat het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, factoren zijn die bij de beoordeling van het rechtsgevolg moeten worden meegewogen. Het enkel verkrijgen van bewijs door het verzuim betekent niet automatisch bewijsuitsluiting, omdat het nadeel ook moet bestaan uit daadwerkelijke schade aan het verdedigingsbelang.
Voorts stelde de Hoge Raad dat het criterium van de 'expectation of privacy' moet worden omgedraaid: niet wat de verdachte mocht verwachten is beslissend, maar of de verbalisanten er vanuit moesten gaan dat de betreden plaats een situatie betrof waarin de betrokkene onbevangen zichzelf wilde zijn. In dit geval was het duidelijk dat de verdachte geen indringers op zijn erf wenste, maar de beperkte inbreuk maakte bewijsuitsluiting niet noodzakelijk.
Ten slotte vernietigde de Hoge Raad het vonnis slechts voor zover art. 310 Sr Pro niet als toepasselijk wettelijk voorschrift was vermeld en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: Bewijsuitsluiting wordt niet toegepast ondanks onherstelbaar vormverzuim; vormverzuim wordt verdisconteerd in strafvermindering.