ECLI:NL:PHR:2006:AZ2225
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot wijziging begunstiging levensverzekering na faillissement
In deze zaak staat centraal wie na de faillietverklaring het recht heeft om de begunstiging van levensverzekeringspolissen te wijzigen: de gefailleerde verzekeringnemer of de curator. De vrouw en haar kinderen, als eisers, stelden dat de curator ten onrechte de begunstiging had gewijzigd en vorderden dat de uitkeringen buiten de faillissementsboedel zouden blijven. De man was in oktober 1995 failliet verklaard en had diverse levensverzekeringen afgesloten met verschillende begunstigden.
De rechtbank wees de vorderingen van de vrouw en kinderen af en verklaarde dat de curator gerechtigd was de uitkeringen te innen. Het hof stelde vast dat de vrouw slechts op twee polissen als begunstigde was aangewezen en dat de man niet tijdig voor faillissement een wijziging van begunstiging had verzocht. De curator was daarom bevoegd tot beheer van de polissen.
De Hoge Raad bevestigt dat tot 1 december 1998 de curator onbeperkt bevoegd was om de begunstiging te wijzigen na faillissement, maar dat met ingang van die datum de Faillissementswet (art. 21a, later 22a) deze bevoegdheid beperkt. De gefailleerde verliest zijn wilsrecht tot wijziging van de begunstiging vanaf het moment van faillietverklaring. De Hoge Raad wijst anticipatie op de nieuwe regeling vóór 1998 af en benadrukt dat de curator slechts onder strikte voorwaarden mag beschikken over levensverzekeringen met een verzorgingskarakter. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de curator bevoegd is tot inning van uitkeringen uit levensverzekeringen na faillissement en dat de gefailleerde na faillissement niet meer bevoegd is tot wijziging van begunstiging.