1 Zie rov. 1 van het bestreden arrest, in verbinding met het vonnis van de rechtbank onder 1, a t/m g.
2 In de gedingstukken is wisselend sprake van 9 en 11 oktober 1995 als faillissementsdatum. De afwikkeling van dit faillissement heeft al eerder tot een cassatieprocedure geleid: zie HR 14 november 2003, LJN: AM2311.
3 Bij CvD in conventie, tevens CvR in voorwaardelijke reconventie, blz. 7.
4 Met betrekking tot de proceskosten is het vonnis op 3 maart 2004 verbeterd.
5 Vgl. J. Gevers, Faillissement van de verzekeringnemer en diens lopende overeenkomsten van levensverzekering, Het Verzekerings-Archief 1965, blz. 127; V.A.M. van der Burg, Begunstiging bij levensverzekeringen (diss. 1971), blz. 115; P. Clausing, Levensverzekering, pensioen en crediteuren in Boek 7 ontwerp Nieuw BW (diss. 1975), blz. 44; W.J.M. van Veen, De levensverzekering (diss. 1992), par. 8.3.1; Polak-Wessels, Deel II (2000), nr. 2154 en Losbl. Fw (Van Galen en De Liagre Böhl: 2004), aant. op art. 21a.
6 Zie: Kamerstukken II, 1985/86, 19 529, nr. 3, blz. 53-55 (citaat op blz. 53).
7 Kamerstukken II, 1985/86, 19 529, nrs. 1-2, blz. 10.
8 Kamerstukken II, 1985/86, 19 529, nr. 3, blz. 43.
9 Wet van 25 juni 1998, Stb. 445.
10 Kamerstukken II, 1993/94, 22 969, nr. 11, blz. 1.
11 Kamerstukken II, 1993/94, 22 969, nr. 11, blz. 2.
12 Kamerstukken II, 1993/94, 22 969, nr. 7, blz. 1 en 3.
13 Kamerstukken II, 1994/95, 22 969, nr. 20, blz. 5 - 7. Het gestelde in nr. 20, blz. 4, maakt duidelijk dat de aanvankelijk voorgestelde maatstaf (70 % resp. 50 %, zie alinea 2.7 hiervoor) na overleg met de brancheorganisatie van verzekeraars is verlaten omdat die maatstaf zou nopen tot het telkens uitvoeren van actuariële berekeningen.
14 Kamerstukken II, 1999-2000, 19 529, nr. 5, blz. 10 en 11; zie de toelichting op blz. 17.
15 Kamerstukken II, 1999-2000, 19 529, nr. 5, blz. 15-16; zie de toelichting op blz. 62.
16 Kamerstukken II, 2001/02, 19 529, nr. 8, blz. 3: "5. In afwijking van het vierde lid, tweede zin, kan de verzekeraar een betaling aan de begunstigde tegenwerpen aan de boedel, voorzover de curator niet bewijst dat de verzekeraar op het tijdstip van betaling op de hoogte was van het faillissement of van een daaraan voorafgegaan beslag ten laste van de verzekeringnemer. In dat geval heeft de curator verhaal op de begunstigde." Zie voor de toelichting blz. 7.
17 In gelijke zin: Nadere MvA bij de wijziging van de Faillissementswet, Kamerstukken I, 1997/98, 22 969 en 23 429, nr. 297, i.h.b. blz. 3 onder 5. De discussie hierover was in gang gezet door een brief van W.J.M. van Veen aan de vaste commissie voor Justitie (Kamerstukken I, 1995/96, 22 969 en 23 429, nr. 34c, blz. 1, voetnoot 2). Vgl.: Van Veen, Nieuwe regels inzake de uitwinning van levensverzekeringen: de systematiek van het verhaalsrecht op de helling, TvI 1996, blz. 154-161.
18 Ook in: JOR 2003, 27, m.nt. B. Wessels.
19 Bedoeld zijn kennelijk: de polissen onder 1, 2, 4, 6, 7 en 8, waarin de man als begunstigde was aangewezen en waarin hij anderen als begunstigde zou hebben willen aanwijzen. Met betrekking tot de polissen onder 3 en 5 was de vrouw reeds aangewezen als primair begunstigde.
20 CvA conventie, tevens CvE reconventie, onder 4.3. Zie nadien nog de akte in conventie van de moeder en de kinderen, tevens CvD reconventie, onder 2.2: "dat de in 1998 doorgevoerde wetswijziging slechts strekte ter bevestiging cq expliciete vastlegging van het reeds voordien geacht wordende geldende recht".
21 Dit is één van de vijf `vuistregels' voor anticipatie; zie A.M.J. van Buchem-Spapens, Anticipatie, mon. NBW A-23 (1986), blz. 49.
22 Zie het Besluit van gevallen waarin afkoop van pensioen of een aanspraak op pensioen mogelijk is (Stcrt. 1994, 136).
23 Kamerstukken II, 1993/94, 22 969, nr. 7, blz. 2. Zie ook: V.A.M. van der Burg, Begunstiging bij levensverzekeringen (1971), blz. 114; W.M.A. Kalkman, De overeenkomst van levensverzekering (2004), blz. 147-149.