ECLI:NL:PHR:2006:AZ2595
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw bij ontstaan schulden
In deze zaak heeft [verzoeker] verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, maar dit verzoek werd door de rechtbank en het hof afgewezen omdat aannemelijk was dat hij niet te goeder trouw was bij het ontstaan van een groot deel van zijn schulden. Deze schulden betreffen met name aanzienlijke bedragen aan de Belastingdienst en het UWV, waarvan uit onherroepelijke uitspraken bleek dat zij voortkwamen uit frauduleus handelen door [verzoeker] of rechtspersonen onder zijn leiding.
[Verzoeker] stelde onder meer dat het hof het beginsel van een eerlijk proces had geschonden door niet alle relevante feiten en documenten te betrekken en dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen om te reageren op bepaalde stukken. De Hoge Raad oordeelde echter dat deze klachten betrekking hadden op fiscale procedures die reeds onherroepelijk waren en dat het hof terecht zijn oordeel mede daarop had gebaseerd.
Verder werd besproken dat de weigeringsgrond van artikel 288 lid 2 sub b Faillissementswet Pro facultatief is, maar dat bij aannemelijke niet-goede trouw de rechter niet verplicht is het verzoek toe te wijzen. Het hof had terecht alle relevante omstandigheden betrokken, waaronder de aard, omvang en het ontstaan van de schulden, en had voldoende gemotiveerd waarom de schuldsaneringsregeling werd geweigerd.
Ten slotte stelde de Hoge Raad vast dat [verzoeker] geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die een uitzondering op de weigering konden rechtvaardigen, zodat het hof niet verplicht was het verzoek alsnog toe te wijzen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van schulden.