ECLI:NL:PHR:2006:AZ3083
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid Staat bij nalaten beroep op Europese machtiging inzake eiwitscheidingsprotocol veevoer
Deze zaak betreft de vraag of de Staat verplicht was de Europese Commissie via art. 232 EG Pro te dwingen tot het verlenen van een machtiging voor een eiwitscheidingsprotocol in veevoer, en of nalaten daarvan aansprakelijkheid oplevert. De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (HvJ) over de verplichtingen van de Commissie en de Staat.
Het HvJ oordeelde dat het gemeenschapsrecht de Staat niet verplicht een beroep in te stellen en dat de Commissie een ruime beoordelingsvrijheid heeft om te beslissen over machtigingen, vooral wanneer niet kan worden vastgesteld dat het systeem voldoende garanties biedt voor volksgezondheid. De Commissie was niet verplicht een voorstel aan de Raad in te dienen als het Permanent Veterinair Comité geen standpunt innam.
De Hoge Raad concludeert dat de Staat een grote mate van beleidsvrijheid heeft bij het al dan niet instellen van een beroep ex art. 232 EG Pro en dat aansprakelijkheid voor nalaten naar nationaal recht moet worden beoordeeld. Tevens is niet vastgesteld dat het eiwitscheidingssysteem materieel aan de voorwaarden voldeed. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor nader onderzoek naar feiten en stellingen, waarbij partijen hun standpunten kunnen aanpassen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst zaak terug voor nader onderzoek naar beleidsvrijheid en feitelijke grondslag.