ECLI:NL:PHR:2006:AZ3287

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00527/06
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273 SvArt. 449 SvArt. 450 SvArt. 451 SvArt. 452 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van verdachte die beroep instelt onder valse naam

In deze zaak is een verdachte in eerste aanleg veroordeeld onder de aanduiding 'N.N. zich noemende [verdachte]', omdat het hof tijdens het hoger beroep vaststelde dat de persoon die zich als verdachte voordeed niet de echte verdachte was. De verdachte had hoger beroep ingesteld onder een valse naam en weigerde zijn ware identiteit bekend te maken.

Het hof verklaarde de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De Hoge Raad bevestigt deze beslissing en verwijst naar vaste jurisprudentie dat een verdachte een rechtsmiddel alleen kan aanwenden onder zijn werkelijke persoonsgegevens. Het gebruik van een valse naam maakt het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.

De verdediging betoogde dat het vonnis in eerste aanleg wel de echte naam van de verdachte vermeldde, maar de Hoge Raad stelt dat de aanduiding 'N.N. zich noemende [verdachte]' juist aangeeft dat de rechtbank twijfelde aan de juistheid van de opgegeven personalia. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het instellen van het beroep onder een valse naam.

Conclusie

Nr. 00527/06
Mr. Knigge
Zitting: 21 november 2006 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
N.N. zich noemende [verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam, waarbij de verdachte wegens "diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen" is veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf, en waarbij de bewaring dan wel de teruggave is gelast van de in het vonnis genoemde inbeslaggenomen voorwerpen.
2. Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.
4. De bestreden uitspraak houdt onder het hoofd "Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep" het volgende in:
"De rechtbank heeft in deze zaak als verdachte veroordeeld NN, zich noemende [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats]. De raadsvrouw heeft namens [verdachte] hoger beroep ingesteld.
Ter terechtzitting in hoger beroep is als getuige gehoord [getuige 1], de vader van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats]. Hij heeft blijkens het proces-verbaal nummer 2004180409-1 van 15 februari 2005, met bijlage, en het proces-verbaal nummer 2005180409 van 18 augustus 2005, met bijlage, eerder bij de politie een foto van zijn zoon aangewezen, die niet overeenkomt met de foto van de ter terechtzitting aanwezige verdachte. Door hem is ter terechtzitting onder ede verklaard dat de daar aanwezige verdachte niet zijn zoon is, maar een neef van hem. Hij heeft zich overigens op zijn verschoningsrecht beroepen.
Bovendien heeft de ter terechtzitting in hoger beroep aanwezige verdachte op vragen van de voorzitter als bedoeld in artikel 273 van Pro het Wetboek van Strafvordering opgegeven op het adres de [a-straat] huisnummer [1] te wonen, terwijl het zich bij de stukken bevindende uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens als huisnummer [2] vermeldt. Voorts bleek hij de, in het zich bij de stukken bevindende uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens, vermelde oude huisadressen van [verdachte] niet te kennen.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de ter terechtzitting als verdachte aanwezige persoon niet is [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats], zodat deze persoon onder een valse naam appèl heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank in deze zaak van 4 maart 2005. Ter terechtzitting persisteert verdachte bij de valse naam en is hij niet bereid zijn werkelijke identiteit bekend te maken.
Volgens vaste jurisprudentie kan een verdachte, te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen, waarbij hij op andere wijze dan bij naam is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak aanwenden dan onder bekendmaking van zijn werkelijke persoonsgegevens. Nu verdachte tot dit laatste niet bereid is, zal hij niet in het ingestelde hoger beroep worden ontvangen."
5. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad moet uit de art. 449-452 Sv worden afgeleid dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens.(1)
6. Kort samengevat gaat het in de onderhavige zaak om het volgende:
(i) in eerste aanleg is de verdachte veroordeeld als "N.N. zich noemende: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978";
(ii) de verdachte heeft hoger beroep ingesteld onder de naam [verdachte], geboren [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats];
(iii) tijdens de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep is aan de orde gekomen of de verdachte werkelijk de hiervoor genoemde [verdachte] is; het Hof heeft onderzoek naar deze vraag verricht;
(iv) het Hof is naar aanleiding van dit onderzoek tot het oordeel gekomen dat de hiervoor bedoelde personalia van [verdachte] niet die van de verdachte zijn.
7. Uit de hiervoor weergegeven omstandigheden, in het bijzonder die onder (i) en (iv), heeft het Hof afgeleid dat er in eerste aanleg ten laste van de verdachte een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, en dat hij een rechtsmiddel heeft ingesteld zonder daarbij zijn werkelijke persoonsgegevens bekend te maken. Daarom geldt hier, aldus het Hof, de lijn van de onder 5 aangehaalde rechtspraak, hetgeen moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte.
8. De steller van het middel is het met deze redenering van het Hof niet eens. Zij betoogt dat het vonnis in eerste aanleg niet kan worden aangemerkt als een ten laste van de verdachte gewezen rechterlijke uitspraak waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid. Immers vermeldt het vonnis in eerste aanleg de naam van de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.
9. Ik volg de steller van het middel niet. De aanduiding van de verdachte in eerste aanleg als "N.N. zich noemende: [verdachte]' duidt erop dat de Rechtbank evenmin als het Hof geloofde dat de door de verdachte opgegeven personalia juist waren. De Rechtbank was er echter wel van overtuigd dat het de verdachte was die het in eerste aanleg bewezenverklaarde feit heeft begaan. Daarom heeft zij de verdachte in haar vonnis niet bij name maar als N.N. aangeduid, en heeft zij daarnaast aangegeven hoe de verdachte zichzelf noemt.
10. Ik merk nog op dat ik met het Hof van mening ben dat het in de onder 5 bedoelde rechtspraak gaat om een bekendmaking van de werkelijke persoonsgegevens van een verdachte. Anders zou dit vereiste immers een lege huls zijn. Ik vermag niet in te zien dat, zoals in het middel wordt aangevoerd, geen van de door de Hoge Raad in HR NJ 2001, 499 (rechtsoverweging 3.3) opgesomde bezwaren tegen het anoniem aanwenden van rechtsmiddelen, zou gelden ten aanzien van het aanwenden van een rechtsmiddel onder een naam die niet als juist kan worden aangemerkt. Het gaat bij de door de Hoge Raad opgesomde bezwaren om algemene bezwaren, die abstraheren van het concrete geval. Dat de executie van de straf in het onderhavige geval geen probleem zal zijn omdat de verdachte voorlopig gehecht is (aangenomen tenminste dat de voorlopige hechtenis tot aan het onherroepelijk worden van de uitspraak blijft voortduren), doet dus niet ter zake. Dat probleem zou er ook niet zijn als de verdachte in het Huis van Bewaring onder een NN-nummer geregistreerd zou staan.
11. Het middel faalt.
12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 24 juni 2003, NJ 2003, 543 en HR 27 februari 2001, NJ 2001, 499 m.nt. Sch. Deze uitspraken worden in het middel eveneens aangehaald.