ECLI:NL:PHR:2006:AZ3287
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van verdachte die beroep instelt onder valse naam
In deze zaak is een verdachte in eerste aanleg veroordeeld onder de aanduiding 'N.N. zich noemende [verdachte]', omdat het hof tijdens het hoger beroep vaststelde dat de persoon die zich als verdachte voordeed niet de echte verdachte was. De verdachte had hoger beroep ingesteld onder een valse naam en weigerde zijn ware identiteit bekend te maken.
Het hof verklaarde de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De Hoge Raad bevestigt deze beslissing en verwijst naar vaste jurisprudentie dat een verdachte een rechtsmiddel alleen kan aanwenden onder zijn werkelijke persoonsgegevens. Het gebruik van een valse naam maakt het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.
De verdediging betoogde dat het vonnis in eerste aanleg wel de echte naam van de verdachte vermeldde, maar de Hoge Raad stelt dat de aanduiding 'N.N. zich noemende [verdachte]' juist aangeeft dat de rechtbank twijfelde aan de juistheid van de opgegeven personalia. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het instellen van het beroep onder een valse naam.