ECLI:NL:PHR:2006:AZ4163
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vaderschap en ingangsdatum kinderalimentatie bij weigering DNA-onderzoek
In deze zaak staat het geschil tussen voormalige levenspartners centraal over de vaststelling van het vaderschap van het kind en de ingangsdatum van kinderalimentatie. De vrouw verzocht om een DNA-onderzoek om het vaderschap van de man vast te stellen, maar de man weigerde mee te werken. Het hof stelde daarop het vaderschap vast en bepaalde de alimentatieverplichting vanaf de datum van die beschikking.
De vrouw voerde cassatie in tegen de keuze van het hof voor de ingangsdatum van de alimentatieverplichting, stellende dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom deze datum werd gekozen en dat eerdere jurisprudentie een andere datum zou rechtvaardigen. De Hoge Raad overwoog dat art. 1:402 lid 1 BW Pro de rechter een ruime discretionaire bevoegdheid geeft bij het vaststellen van de ingangsdatum, waarbij motivering vereist is indien partijen hierover een relevant debat hebben gevoerd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet verplicht was een nadere motivering te geven omdat de aanvangsdatum niet onderwerp van debat was geweest, het toegewezen bedrag hoog was en de gekozen datum binnen de redelijke en billijke grenzen viel. De cassatie werd verworpen, waarmee het oordeel van het hof standhield.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ingangsdatum van de alimentatieverplichting op 25 oktober 2005.