ECLI:NL:PHR:2006:AZ5868

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00429/06 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 467 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens persoonsverwisseling bij diefstal- en opiumwetzaken

De aanvrager heeft bij de Hoge Raad herziening gevraagd van twee onherroepelijke vonnissen van de politierechter in Den Haag en Rotterdam, waarin hij was veroordeeld voor diefstal en opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De aanvrager stelt dat iemand anders zich herhaaldelijk van zijn personalia heeft bediend, wat heeft geleid tot onterechte veroordelingen.

Uit onderzoek, waaronder vingerafdrukvergelijkingen door de politie te Krimpen aan de IJssel, blijkt dat de aanvrager niet de dader was van het feit waarvoor hij in Rotterdam is veroordeeld. Ook handtekeningenonderzoek wijst op persoonsverwisseling. De officier van justitie heeft op basis hiervan de onmiddellijke invrijheidstelling bevolen en het Haagse vonnis ter verjaring opgelegd.

De Hoge Raad concludeert dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de aanvrager onterecht is veroordeeld en dat de rechters bij kennis van deze omstandigheden hem zouden hebben vrijgesproken. Daarom verklaart de Hoge Raad de herzieningsverzoeken gegrond, beveelt opschorting van de tenuitvoerlegging en verwijst de zaken terug naar het gerechtshof voor nieuwe behandeling.

Uitkomst: Herzieningsverzoeken gegrond verklaard en zaken verwezen voor nieuwe behandeling wegens persoonsverwisseling.

Conclusie

Griffienrs. 00428/06 H en 00429/06 H
Mr. Wortel
Zitting:31 oktober 2006
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Namens de bovengenoemde persoon - hierna te noemen: de aanvrager - heeft mr M.M. Caupain, advocaat te Amsterdam, bij afzonderlijke schrifturen herziening gevraagd van twee bij verstek gewezen vonnissen.
De aanvraag met griffienummer 00428/06 H betreft een op 8 juli 2002 gewezen vonnis van de politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage, waarbij de aanvrager wegens "diefstal door twee of meer verenigde personen" en "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod", telkens gepleegd op 4 mei 2002, alsmede "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen", gepleegd op 9 juni 2002, is veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf.
De aanvraag met griffienummer 00429/06 H betreft een op 8 april 2002 gewezen vonnis van de politierechter in de Rechtbank te Rotterdam, waarbij de aanvrager wegens "diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren", gepleegd op 4 januari 2002, is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf.
Blijkens mededelingen van de griffiers in de beide Rechtbanken zijn deze vonnissen onherroepelijk.
2. In de aanvragen wordt gesteld dat er - kort gezegd - sprake is van een persoonsverwisseling: iemand anders bedient zich ten overstaan van opsporingsambtenaren telkenmale van de personalia van de aanvrager.
Ik volsta met één conclusie inzake de beide aanvragen, mede omdat de daarbij overgelegde stukken aan overtuigingskracht winnen door ze in onderling verband te beschouwen.
3. Bij de stukken betreffende griffienummer 00429/06 H (het Rotterdamse vonnis) bevindt zich een brief van de officier van justitie te Rotterdam gedateerd 16 november 2005. Volgens deze brief heeft vergelijking van verzoekers vingerafdrukken met vingerafdrukken waarover de politie te Krimpen aan de Ijssel beschikte uitgewezen dat verzoeker niet de dader is van het op 4 januari 2002 gepleegde feit. Klaarblijkelijk doelt de officier van justitie op het feit dat is bewezenverklaard in het hierboven genoemde vonnis van de politierechter in de Rechtbank te Rotterdam.
Uit de stukken betreffende deze aanvrage blijkt verder dat de tenuitvoerlegging van het vonnis aanvankelijk werd opgeschort in verband met de mogelijkheid dat een broer van de aanvrager zich in diens veelvuldige contacten met de politie voor de aanvrager uitgeeft, doch weer hervat omdat de aanvrager geen gehoor gaf aan de oproepingen van de verbalisanten die dit moesten uitzoeken. Aan de uitkomst van het nadien gehouden vergelijkend vingerafdrukkenonderzoek heeft de officier van justitie voldoende belang gehecht om op 16 november 2005 de onmiddellijke invrijheidstelling van de aanvrager te bevelen.
In een bestand van de Rotterdamse politie, waarin zowel de aanvrager als zijn broer vookomen, is inmiddels ten aanzien van de laatste vermeld "Let op maakt gebruik van de naam van zijn broer".
4. Bij de stukken betreffende beide aanvragen zijn fotocopieën te vinden van een rijbewijs van de aanvrager waarop een handtekening voorkomt die duidelijk afwijkt van de handtekening (op akten van uitreiking en onder de door de politie opgenomen verklaringen) van degene die zich destijds van de personalia van de aanvrager bediende.
5. Bij de stukken betreffende de aanvrage met griffienr. 00428/06 H (het Haagse vonnis) bevindt zich verder een afschrift van een advies aan het College van Procureurs-Generaal, afkomstig van de fungerend hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage, op een verzoek van mr Caupain om de aanvrager schadevergoeding voor ten onrechte ondergaan voorarrest toe te kennen. De fungerend hoofdofficier merkt in dit advies op dat een vergelijking van handtekeningen en de uitkomst van het bovengenoemde, in de Rotterdamse zaak gehouden, vergelijkend vingerafdrukkenonderzoek aanleiding zijn geweest om het Haagse vonnis op 17 november 2005 ter verjaring op te leggen, met bevel de aanvrager onmiddellijk in vrijheid te stellen. Bij die stukken bevindt zich ook een brief gedateerd 25 november 2005, waarbij mr Caupain is bericht dat de officier van justitie opdracht heeft gegeven de zaak (waarmee kennelijk op het bovengenoemde vonnis van de politierechter in de Haagse Rechtbank is gedoeld) uit het register van de Justitiële Documentatiedienst te verwijderen.
6. Naar mijn inzicht wekken deze omstandigheden het ernstig vermoeden dat de aanvrager niet degene is die door de politie is aangehouden en die zich vervolgens voor de aanvrager heeft uitgegeven, en eveneens het ernstig vermoeden dat de rechters de aanvragers zouden hebben vrijgesproken indien zij met die omstandigheden rekening hadden kunnen houden.
7. Deze conclusie strekt ertoe dat de aanvragen gegrond zullen worden verklaard; voor zoveel nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het op 8 juli 2002 gewezen vonnis van de politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage en van het op 8 april 2002 gewezen vonnis van de politierechter in de Rechtbank te Rotterdam zal worden bevolen, en de beide zaken naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage zullen worden verwezen teneinde op de voet van art. 467 Sv Pro opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,