ECLI:NL:PHR:2007:AU8555
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdelijke terbeschikkingstelling eigen woning en fiscale gevolgen onderhoudskosten
Belanghebbende kocht in 1996 een woning in Italië die in slechte staat verkeerde en waarin een weduwe van de voormalige pachter woonde met een woonrecht. De woning werd tot september 2000 exclusief door haar bewoond, waarna belanghebbende de woning betrok. Belanghebbende sloot met een verhuurorganisatie overeenkomsten voor de verhuur van de woning als vakantiewoning.
De Inspecteur stelde dat de woning niet als eigen woning kon worden aangemerkt in de jaren 1996-2000, omdat sprake was van tijdelijke terbeschikkingstelling aan derden en dat de aftrek van onderhoudskosten daardoor niet mogelijk was. Belanghebbende voerde aan dat de woning uitsluitend voor verhuur was bestemd en beriep zich op het vertrouwensbeginsel omdat de Inspecteur eerdere aangiften had geaccepteerd.
Het Hof oordeelde dat de woning gedurende de jaren deels voor eigen gebruik ter beschikking stond en dat de regeling van tijdelijke terbeschikkingstelling van toepassing was. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat de aangiften niet uitdrukkelijk en gemotiveerd waren. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte de criteria voor het begrip eigen woning, het ter beschikking staan, en de toepassing van artikel 42a Wet IB 1964. Ook werd ingegaan op de bewijslastverdeling en de betekenis van het begrip 'tijdelijk' in dit kader.
De Hoge Raad benadrukte dat voor toepassing van de eigenwoningregeling vereist is dat de woning feitelijk en met het oogmerk tot eigen gebruik ter beschikking staat, en dat een gering eigen gebruik al voldoende is. De regeling van tijdelijke terbeschikkingstelling is bedoeld om misbruik tegen te gaan waarbij onderhoudskosten ten onrechte aftrekbaar zouden zijn. Het arrest geeft belangrijke richtlijnen voor de fiscale behandeling van woningen die tijdelijk worden verhuurd maar bestemd zijn voor eigen gebruik.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de regeling tijdelijke terbeschikkingstelling van toepassing is en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, waardoor de aftrek van onderhoudskosten wordt beperkt.