ECLI:NL:PHR:2007:AU9532
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling overdrachtsbelasting bij verkrijging landerijen en verbetering landbouwstructuur
De zaak betreft een geschil over de toepassing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de verkrijging van landerijen, zoals geregeld in art. 15, lid 1, onderdeel q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR). De belanghebbende verkreeg de blote eigendom van landbouwgrond die zij als belegging hield, terwijl de grond door anderen bedrijfsmatig werd geëxploiteerd. De vraag was of de vrijstelling van toepassing is gezien het vereiste dat de verkrijger de landerijen bedrijfsmatig exploiteert, zoals opgenomen in art. 6a UBR.
Het Hof Amsterdam wees het beroep van de belanghebbende af, stellende dat zij niet voldeed aan de exploitatie-eis en dat de a.m.v.b.-gever bevoegd was deze voorwaarde te stellen zonder strijd met de formele wetgever. De belanghebbende stelde cassatie in tegen deze uitspraak, stellende dat het Hof art. 6a UBR onjuist had uitgelegd en toegepast.
De Advocaat-Generaal concludeert dat de exploitatie-eis niet mag leiden tot een beperking van de vrijstelling ten opzichte van de jurisprudentie vóór 2001, waarin ook niet-landbouwers die verpachten onder bepaalde voorwaarden aanspraak konden maken op de vrijstelling. De AG acht het middel gegrond en adviseert vernietiging van het hofvonnis en verwijzing voor nader feitelijk onderzoek naar de verbetering van de landbouwstructuur. Tevens wordt overwogen dat de zelfexploitatie-eis niet binnen de delegatiebevoegdheid van de lagere wetgever valt en dat de vrijstelling strikt moet worden uitgelegd om onbedoelde uitbreiding te voorkomen.
Uitkomst: Advocaat-Generaal adviseert vernietiging hofuitspraak en terugverwijzing voor nader onderzoek naar verbetering landbouwstructuur.