3.1. In geschil voor het Hof was, voor zover in cassatie van belang, of de verhuur van de appartementen belast of vrijgesteld is op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en 2°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), juncto artikel 13, B, sub b, aanhef, punt 1, van de Zesde richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting-Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (77/388/EEG) (hierna: de Zesde Richtlijn).(3) Naar aanleiding daarvan overwoog het Hof onder meer het volgende.
"4.1. Het geschil betreft de vraag of de verhuur door belanghebbende van de onderhavige appartementen is uitgezonderd van de in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aanhef, van de Wet vervatte vrijstelling met betrekking tot de verhuur van onroerende zaken, ten aanzien van welke vraag belanghebbende onder meer een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 13 B, sub b, punt 1, van de Zesde richtlijn.
4.2. Ingevolge laatstgenoemde bepaling verlenen de Lid-Staten vrijstelling voor de verpachting en verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der Lid-Staten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen.
4.3. In zijn arrest van 12 februari 1998, nr. C-346/95 (Blasi), heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg (hierna: het Hof van Justitie) met betrekking tot deze bepaling overwogen dat het zinsdeel "met uitzondering van (...) het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der Lid-Staten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie" een uitzondering invoert op de in deze bepaling neergelegde vrijstelling voor verpachting en verhuur van onroerende goederen, dat de in dit zinsdeel bedoelde handelingen dus onder het algemene stelsel van de Zesde richtlijn worden geplaatst, welk stelsel - behoudens de uitdrukkelijk voorziene uitzonderingen - alle belastbare handelingen aan belasting onderwerpt en dat dit zinsdeel dan ook niet strikt mag worden uitgelegd.
4.4. Voorts heeft het Hof van Justitie in dit arrest overwogen dat de uitdrukking "sectoren met een soortgelijke functie" ruim moet worden uitgelegd, aangezien zij beoogt te verzekeren dat het tijdelijk verstrekken van accommodatie op overeenkomstige wijze als in het hotelbedrijf, dat potentieel met dit laatste concurreert, aan belasting wordt onderworpen.
4.5. Naar het Hof van Justitie in punt 21 van dit arrest heeft overwogen, beschikken de Lid-Staten weliswaar over een beoordelingsmarge om te bepalen welke accommodatieverstrekkingen in afwijking van de vrijstelling voor verpachting en verhuur van onroerende goederen moeten worden belast, doch wordt deze beoordelingsmarge begrensd door het doel van deze bepaling, die, wat het ter beschikking stellen van woonruimten betreft, ertoe strekt de -belastbare- verstrekkingen van accommodatie in het hotelbedrijf of in sectoren met soortgelijke functies te onderscheiden van vrijgestelde handelingen, met name de verpachting en verhuur van onroerende goederen.
4.6. Tenslotte heeft het Hof van Justitie, voor zover te dezen van belang, in dit arrest overwogen dat de duur van de accommodatieverstrekking een passend criterium vormt om het verstrekken van accommodatie in het hotelbedrijf (als belastbare handeling) te onderscheiden van de verhuur van woonruimtes (als vrijgestelde handeling), voorzover accommodatieverstrekking in het hotelbedrijf zich juist van de verhuur van woonruimte onderscheidt door onder meer de duur van het verblijf. In het algemeen is het verblijf in een hotel eerder kort en het verblijf in een huurappartement tamelijk lang.
4.7. Naar het oordeel van het Hof heeft een bedrijf dat zich, zoals belanghebbende, bezighoudt met het verhuren van appartementen voor betrekkelijk korte tijd ten behoeve van het huisvesten van tijdelijk uitgezonden werknemers in het algemeen een soortgelijke functie als een hotelbedrijf. De enkele omstandigheid dat deze verhuur niet gepaard gaat met enige dienstverlening door of in opdracht en voor rekening van de verhuurder van die appartementen, doet daar onvoldoende aan af.
4.8. Het Hof acht voorts aannemelijk dat belanghebbende met de verhuur van de onderhavige appartementen op de markt van het verschaffen van huisvesting aan tijdelijk uitgezonden werknemers in concurrentie treedt met hotels en pensions. De Inspecteur heeft dit laatste tijdens het onderzoek ter zitting ook erkend. Bovendien heeft belanghebbende onweersproken gesteld dat zij als zodanig concurreert met verhuurders van vakantiewoningen.
4.9. De Inspecteur heeft nog gesteld dat niet wordt voldaan aan de in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wet gestelde eis dat slechts voor een korte periode verblijf wordt gehouden, doch bedacht dient te worden dat het hierbij gaat om een criterium om het verstrekken van accommodatie in het hotelbedrijf te onderscheiden van de verhuur van woonruimtes en dat, in de woorden van het Hof van Justitie, het verblijf in een hotel eerder kort is en het verblijf in een huurappartement tamelijk lang. Naar het oordeel van het Hof kan het huren van woonruimte voor een gemiddelde, werkelijke, duur van -naar belanghebbende heeft gesteld en het Hof geloofwaardig acht- circa 5 maanden, niet als tamelijk lang worden aangemerkt, terwijl voorts het Hof van Justitie in zijn vorenvermelde arrest een verblijfsduur van 6 maanden niet heeft aangemerkt als een niet passend criterium voor het maken van het vorenbedoelde onderscheid.
4.10. Gelet op hetgeen onder 4.9 is overwogen, moet bij een richtlijnconforme interpretatie van de eis dat slechts voor een korte periode verblijf wordt gehouden, worden geoordeeld dat een gemiddeld, werkelijk, verblijf van circa 5 maanden (nog) aan deze eis voldoet, terwijl, indien zou moeten worden geoordeeld dat met deze eis een aanzienlijk kortere tijdsduur wordt bedoeld, de wetgever -naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is- met het stellen van deze eis buiten de in punt 21 van vorenvermeld arrest van het Hof van Justitie bedoelde beoordelingsmarge is getreden en alsdan in strijd is gekomen met een inhoudelijk gezien onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige richtlijnbepaling. In beide gevallen moet, mede gelet op hetgeen onder 4.7 en 4.8 is overwogen, worden geoordeeld dat het gelijk is aan de zijde van belanghebbende. Het beroep is derhalve gegrond. Belanghebbendes beroep op bij haar door punt 4 van de onder 3.1 vermelde resolutie gewekt vertrouwen behoeft derhalve geen behandeling."