ECLI:NL:PHR:2007:AX9111
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing anoniementarief bij ontbreken of niet ondertekenen loonbelastingverklaring
In deze zaak staat centraal of het anoniementarief van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 toegepast moet worden wanneer loonbelastingverklaringen ontbreken of niet zijn ondertekend, terwijl de werkgever wel beschikt over de naam, adres en woonplaats van werknemers.
De rechtbank Arnhem had geoordeeld dat het anoniementarief niet van toepassing was als de n.a.w.-gegevens op andere wijze aan de werkgever waren verstrekt, ook als loonbelastingverklaringen ontbraken of niet ondertekend waren. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad concludeert dat het ontbreken van een loonbelastingverklaring inderdaad leidt tot toepassing van het anoniementarief, ook als de werkgever de n.a.w.-gegevens anderszins kent. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat een niet-ondertekende loonbelastingverklaring niet voldoet aan de vereisten en daarom eveneens aanleiding geeft tot toepassing van het anoniementarief. Dit is in lijn met de bedoeling van de wetgever om een efficiënte controleerbaarheid van loonbelastingheffing te waarborgen.
De conclusie benadrukt dat de tekst van artikel 26b van de Wet en de wetsgeschiedenis duidelijk maken dat het anoniementarief een sanctie is voor het niet verstrekken van n.a.w.-gegevens via de loonbelastingverklaring. De Hoge Raad wijst het oordeel van de rechtbank dat het anoniementarief achterwege kan blijven bij ontbrekende of niet-ondertekende verklaringen af en verklaart de middelen van de Staatssecretaris gegrond.
Uitkomst: Het anoniementarief is van toepassing bij het ontbreken of niet ondertekenen van de loonbelastingverklaring, ook als de werkgever de n.a.w.-gegevens anderszins kent.