1 Van 10 oktober 2003, nr. 37 689, BNB 2004/2 en VN 2003/50.18. In de samenhangende zaak met kenmerk 37690, betreffende de door belanghebbenden afgedragen omzetbelasting over het derde kwartaal van 1997, is op 18 februari 2005 reeds arrest gewezen.
2 HvJEG 14 juli 2005, nr. C-434/03 (Charles en Charles-Tijmens), BNB 2005/284 en VN 2005/35.18.
3 Zie r.o. 3.4.4. van het arrest en hieronder inzake de tweede brief van de Staatssecretaris.
4 Brief van 12 september 2005.
5 Onder meer: HvJEG 7 oktober 1987, C-80/86 (Kolpinghuis), Jur EG 1987, blz. 03969.
6 HvJEG 6 juli 1995, C-62/93 (BP Soupergaz), Jur EG 1995, blz. I-1883. Zie ook: HvJEG, 18 januari 2001, V-150/99 (Lindöpark), VN 2001/11.21.
7 R.o. 29 en 30. De concurrentievervalsing vloeit voort uit de omstandigheid dat dan eerder zal worden gekozen voor het gebruik in privé van investeringsgoederen die tot ondernemingsvermogen (terzake waarvan de voorbelasting in aftrek is gebracht) dan van goederen die niet tot ondernemingsvermogen behoren.
8 A. van Dongen, "Heffing van BTW op privé-gebruik", WFR 2005/1393, paragraaf 2.2; de redactie van de VN in haar aantekening bij het arrest Charles/Charles-Tijmens; S.T.M. Beelen, "Nogmaals: keuzevermogen in de BTW', WFR 2001/1172, paragraaf 6; E.M. Vrouwenvelder, "Het Nederlandse aftreksysteem onder vuur", BTW-brief nr. 8/9 2005, blz. 6; Van Zadelhoff in zijn noot bij BNB2005/284; Sanders in zijn commentaar bij NTFR 2005/956; W.A.P. Nieuwenhuizen, "De kunst van goede wetgeving en uitvoering", NTFR 2005/1208; E. van den Elsen en A. Koks, "Voorbelasting bij gemengd gebruik? De 'nieuwe' regels!", BTW-bulletin 2005, nr. 9. Ook zo: A-G Van Kalmthout in zijn conclusie bij deze zaak, BNB 2004/2, punt 5.14.
9 Zie punt 16 van de noot van Van Kesteren bij BNB 2004/2.
10 HvJEG 26 juni 1989, 50/88 (Kühne), Jur EG 1989, blz. 01925, r.o. 22-27.
11 Onder meer HvJEG 26 februari 1986, C-152/84 (Marshall I), Jur EG 1986, blz. 00723.
12 Ook zo: Van Dongen, eerder aangehaald.
13 HvJEG 26 september 1996, C-168/95 (Arcaro), Jur EG 1996, blz. I-04705, r.o. 42. Zie ook: J.M. Prinssen, "Doorwerking van Europees recht", Europese Monografien 73, Deventer 2004, blz. 50 en A. Ward, "More than an 'Infant Disease': Individual Rights, EC Directives, and the Case of Uniform Remedies", in "Direct Effect; Rethinking a Classic of EC Legal Doctrine", Groningen 2002, blz. 47.
14 Hoge Raad 6 december 2000, 35 704, BNB 2001/101, FED 2001/24 en HvJEG 15 juni 2000, C-365/98 (Brinkmann Tabakfabrikanten GmbH), Jur EG 2000, blz. I-04619.
15 Zie ook: Wattel in zijn conclusie van 25 februari 2004, nr. 6.9 en 6.11.
16 Zie ook: Beelen, eerder aangehaald, en Vrouwenvelder, ook eerder aangehaald.
17 Zie ook: HvJEG, 11 september 2003, C-155/01 (Cookies World), Jur EG blz I-08785.
18 A-G Wattel adviseerde in die zaak tot het stellen van een prejudiciële vraag over het verband tussen toepassing van een vrijstelling (in strijd met de Zesde richtlijn) en de aftrekbeperking. De Hoge Raad is bij arrest van 11 november 2005, VN 2005/55.19, weliswaar overgegaan tot het stellen van prejudiciële vragen, doch gaat daarbij uit van een andere benadering, waardoor de door Wattel aan de orde gestelde problematiek niet behoefde te worden voorgelegd aan het HvJEG.
19 Bladzijde 2 van het verweerschrift voor het Hof.
20 Zie r.o. 2.4. van de uitspraak. In 2.1 heeft het Hof slecht vastgesteld dat de bungalow op 26 maart 1997 is gekocht en dat de voorbelasting is meegenomen in de aangifte over het tweede tijdvak van 1997.
21 Overigens heeft de Hoge Raad in haar arrest van 10 oktober 2003 reeds in 3.4.4. overwogen dat niet in geschil is dat de voorbelasting in rekening is gebracht ter zake van de verkrijging van de bungalow dan wel ter zake van de aan de bungalow aangebrachte goederen die tot duurzame waardevermeerdering hebben geleid.
22 In gelijke zin: Sanders in zijn commentaar op het arrest, NTFR 2005/965. Zeker is dat echter niet. Omdat reeds sprake is van een novum laat ik dit punt echter rusten.
23 Zie HvJEG 30 maart 2006, C-184/04 (Uudenkaupungin kaupunki), te raadplegen op www.curia.nl.