ECLI:NL:PHR:2007:AY9000
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijsvereiste en vertrouwensbeginsel bij renteaftrek eigen woning voor 2001
Belanghebbende heeft zijn woning verbouwd in 1994, 1999 en 2000 en verhoogde in 2000 zijn hypothecaire lening. Hij bracht de rente over het gehele bedrag in aftrek, maar de Inspecteur accepteerde slechts een deel vanwege onvoldoende bewijs voor uitgaven vóór 2001.
Het Hof oordeelde dat de renteaftrek over de gehele lening geaccepteerd moest worden, mede vanwege uitlatingen van de Staatssecretaris tijdens de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001, waarin werd gesteld dat leningen vóór 2001 die als zodanig door de Belastingdienst zijn geaccepteerd hun karakter behouden en dat geen terugwerkende bewaarplicht geldt.
De Hoge Raad stelt dat uitlatingen van bewindslieden tijdens parlementaire behandeling zijn gedaan als medewetgever en niet als uitvoerder, waardoor er geen rechtens te beschermen vertrouwen ontstaat. De Inspecteur kan bewijs blijven vragen over de aard van de lening, maar moet daarbij rekening houden met rechtszekerheid en rechtsverwerking, waarbij de navorderingstermijn als redelijke termijn geldt.
De bewijsvereiste van schriftelijke bescheiden geldt vanaf 2001 voor nieuwe leningen, maar niet met terugwerkende kracht voor leningen vóór 2001. Bij voorfinanciering uit eigen middelen gevolgd door een lening kan de lening toch worden gekwalificeerd als aangegaan voor verbetering of onderhoud indien het oogmerk al bestond bij de uitgaven.
De zaak wordt verwezen naar het Hof voor nadere feitelijke beoordeling van het oogmerk en de samenhang tussen uitgaven en lening. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en verwijst de zaak terug.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor nadere feitelijke beoordeling.