5 Artikel 44m, eerste en derde lid, van de Wet:
"1. Ten aanzien van de belastingplichtige die winst uit onderneming geniet en bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, wordt een zelfstandigenaftrek toegepast indien gedurende het kalenderjaar de voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 1225 uren in beslag wordt genomen door het voor eigen rekening feitelijk drijven van een onderneming.
2. (...)
3. Ten aanzien van de belastingplichtige bij wie in een of meer van de drie voorafgaande kalenderjaren geen zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met f 3628."
6 Artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel a, van de Wet:
"1. Ingeval in een kalenderjaar:
a. voor een bedrag van meer dan f 3600 doch niet meer dan f 534 000 in bedrijfsmiddelen wordt geïnvesteerd, wordt op verzoek bij de aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel a, aangewezen percentage van het investeringsbedrag ten laste gebracht van de winst over dat jaar (investeringsaftrek);"
7 Artikel 8c, tweede en derde lid, van de Wet:
"2. (...) de winst behaald met de exploitatie van een schip voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee dan wel voor het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee, alsmede de winst behaald met de exploitatie van een schip voor het verrichten van sleep- of hulpverleningswerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet. Onder winst uit zeescheepvaart wordt mede verstaan de winst behaald met de werkzaamheden die direct samenhangen met de in de vorige volzin bedoelde exploitatie van een schip.
3. Voor de toepassing van dit artikel is sprake van exploitatie van een schip, indien de belastingplichtige:
a. in Nederland in belangrijke mate het beheer verricht van een schip dat hij:
1. in eigendom heeft of mede in eigendom heeft, met uitzondering van schepen die hij in rompbevrachting heeft gegeven, dan wel
2. in rompbevrachting houdt;
b. in Nederland hoofdzakelijk het commerciële beheer verricht van een schip voor een ander, mits het jaartotaal van de netto dagtonnages van de schepen waarvoor hij deze werkzaamheden verricht niet meer bedraagt dan driemaal het jaartotaal van de netto dagtonnages van de schepen die hij beheert op een wijze als bedoeld in onderdeel a, waarbij de schepen die hij mede in eigendom heeft slechts meetellen indien die medeëigendom ten minste 5 percent beloopt;
c. een schip in tijd- of reischarter houdt, mits het jaartotaal van de netto dagtonnages van de schepen die hij in tijd- of reischarter houdt niet meer bedraagt dan driemaal het jaartotaal van de netto dagtonnages van de schepen die hij beheert op een wijze als bedoeld in onderdeel a, waarbij schepen die hij mede in eigendom heeft slechts meetellen indien die medeëigendom ten minste 5 percent beloopt."
8 Zie Hoge Raad 14 mei 2004, nr. 39.771, BNB 2004/247.
9 Zie voetnoot 4 voor de subsidiaire en meer subsidiaire stelling van de Inspecteur.
10 Zie P. Meyjes c.s., Fiscaal procesrecht, Kluwer: Deventer 1997, blz. 255.
11 Zie P. Meyjes c.s., Fiscaal procesrecht, Kluwer: Deventer 1997, blz. 254.
12 De ratio van vervroegde afschrijving wordt in de wetsgeschiedenis waarbij een dergelijke faciliteit voor een bepaalde groep ondernemers of voor bepaalde bedrijfsmiddelen is ingevoerd steeds op dezelfde wijze beargumenteerd. Ik beperk mij tot een verwijzing naar de Kamerstukken II 1995/96, 24 482, nr. 3, blz. 2, alsmede tot verwijzing naar T.J. Korthoff, Fiscale investeringsfaciliteiten, Kluwer: Deventer 1963, blz. 75 e.v., W.A.F.G. Vermeend, Fiscale investeringsfaciliteiten (diss), Gouda Quint: Arnhem 1983, blz. 51 en R. Russo, Vervroegde afschrijving, Weekblad Fiscaal Recht 1994/6091, blz. 229.
13 Zie Ministeriële regeling van 27 december 1995, nr. WDB95/491M, Staatscourant 1995, 251.
14 Zie J.M.M. Maeijer c.s., Fiscale en civielrechtelijke aspecten van de commanditaire vennootschap, Kluwer: Deventer 1996, blz. 13.
15 Zie Asser-Maeijer, Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht: Bijzondere overeenkomsten Deel V, maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, W.E.J. Tjeenk Willink: Zwolle 1995, blz. 394. Zie ook V.A.E.M. Meijers, Civielrechtelijke beschouwingen over de rechtspositie van de commanditaire vennoot (Ars Notariatus LXXVI), Kluwer: Deventer 1996, blz. 185 e.v.
16 Zie Asser-Maeijer, Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht: Bijzonder overeenkomsten Deel V, maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, W.E.J. Tjeenk Willink: Zwolle 1995, blz. 426 e.v.
17 Zie A.J.A. Stevens, Fiscale aspecten van de Commanditaire Vennootschap (diss.), Kluwer: Deventer 2002, blz. 37.
18 Zie J.M.M. Maeijer, Fiscale en civielrechtelijke aspecten van de commanditaire vennootschap, Kluwer: Deventer 1996, blz. 20.
19 Zie A.J.A. Stevens, Fiscale aspecten van de Commanditaire vennootschap (diss), Kluwer: Deventer 2002, blz. 38, 39.
20 Zie onderdeel 1.3 van deze conclusie.
21 Zie J.F.M. Giele, De commanditaire vennootschap, FM nr. 44, Kluwer: Deventer 1987, blz. 65, 66.
22 Voetnoot 4 van R.J. de Vries: "Waarbij overigens bedacht dient te worden dat volgens HR 24 februari 1988, nr. 24 143, BNB 1988/124 de uit hoofde van buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen opgekomen nadelen niet onder de werking van art. 20, derde lid, WvK vallen."
23 Voetnoot 5 van R.J. de Vries: "In het beroepschrift in cassatie wordt onder punt 8 melding gemaakt van de aangifte over het jaar 1979 en, voorzover over het exacte jaartal twijfel zou kunnen bestaan, in elk geval uiterlijk de aangifte over het jaar 1983."
24 Voetnoot 6 van R.J de Vries: "Hetgeen in casu het meest waarschijnlijk is."
25 Voetnoot 7 van R.J. de Vries: "Zulks kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende gestileerde voorbeeld. Een commanditaire vennootschap - fiscaal zijn dat uiteraard de desbetreffende vennoten - lijdt in het eerste jaar een verlies van ƒ 1 miljoen, welk verlies uitsluitend is ontstaan door vervroegde afschrijving. De beherende vennoot en de commanditaire vennoot zijn overeengekomen dat de jaarlijkse resultaten hen in de verhouding 85:15 toekomen. De commanditaire vennoot heeft ƒ 100 000 als vermogen in de commanditaire vennootschap ingebracht. De commanditaire vennoot lijdt in dit jaar een verlies van
ƒ 100 000, terwijl de vervroegde afschrijving ten bedrage van ƒ 50 000 door de beherende vennoot in aanmerking wordt genomen. De commandiet kan derhalve het verlies in verband met de vervroegde afschrijving ad ƒ 50 000 fiscaal niet als eigen verlies opvoeren."
26 Zie A.J.A. Stevens, Fiscale aspecten van de Commanditaire Vennootschap (diss), Kluwer: Deventer 2002, blz. 40, 41.
27 Artikel 3.9 van de Wet IB 2001 luidt:
"1. Voorzover de winst van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 3.3 in het jaar (medegerechtigde tot ondernemingswinst; a-g), vóór toepassing van dit lid, tezamen met de winst van alle daaraan voorafgaande jaren waarin dat artikel op hem van toepassing was, negatief is en in absolute zin uitgaat boven het in het tweede lid bedoelde bedrag, wordt het verschil ten bate van de winst van het jaar gebracht."
2. Het in het eerste lid bedoelde bedrag betreft de boekwaarde van het vermogen van de onderneming op het tijdstip waarop artikel 3.3 voor het eerst op de belastingplichtige van toepassing werd, verminderd met het bedrag van de reserves, bedoeld in artikel 3.53 (fiscale reserves; a-g), op dat tijdstip. Indien na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip door de belastingplichtige is gestort in of onttrokken aan de onderneming, wordt het in de eerste volzin bedoelde bedrag vermeerderd met de waarde van die storting op het tijdstip van die storting respectievelijk verminderd met de waarde van die onttrekking op het tijdstip van die onttrekking.
3. Hetgeen op grond van het eerste lid ten bate van de winst van het jaar is gebracht, wordt ten laste van de winst van het volgende jaar gebracht indien artikel 3.3 bij de aanvang van dat volgende jaar nog op de belastingplichtige van toepassing is.
28 Zie A.J.A. Stevens, Fiscale aspecten van de Commanditaire Vennootschap (diss.), Kluwer: Deventer 2002, blz. 42.
29 Zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 129, 130.
30 Zie Kamerstukken I 2000/01, 27 209, nr. 89c, blz. 5.
31 Zie Kamerstukken I 2000/01, 27 209, nr. 89c, blz. 5.
32 Zie T.C. van Wagensveld, De medegerechtigde en zijn verliezen, Weekblad Fiscaal Recht 2001/1766.
33 Zie L.W. Sillevis c.s., Cursus Belastingrecht Inkomstenbelasting, Gouda Quint: Deventer januari 2005 (suppl. 392), 3.2.4.C, blz. 120, 128, 129.
34 Voetnoot 16 van Sillevis c.s.: "Vgl. Redactie Vakstudie Nieuws in haar aantekening bij Besluit van 29 mei 2002, nr. CPP2002/1167, V-N 2002/28.16."
35 Voetnoot 25 van Sillevis c.s.: "Het is de vraag of deze verliezen door de belastingdienst wel terecht werden geaccepteerd. In verband met het hiervoor onder b. besproken arrest HR 3 juni 1970, nr. 16 496, BNB 1970/152, lijkt de stelling dat willekeurige afschrijving niet een verlies kan doen ontstaan dat het ingebrachte vermogen overtreft namelijk goed verdedigbaar.
36 Zie onderdeel 6.12 van deze conclusie.
37 Zie voetnoot 1.
38 Zie eveneens voetnoot 1.