ECLI:NL:PHR:2007:AY9928
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van artikel 17 Wet IB 1964 op overdracht buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen in man-vrouwfirma
Belanghebbende en zijn echtgenote, gehuwd in gemeenschap van goederen, drijven samen een onderneming in de vorm van een maatschap sinds 1986. De man oefende aanvankelijk het bedrijf als eenmanszaak uit en bracht activa en passiva in de maatschap in, met uitzondering van het onroerend goed dat buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen bleef. In 1999 droeg de man met toepassing van artikel 17 Wet Pro IB 1964 een deel van zijn gerechtigdheid in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen (een pand) over aan zijn echtgenote, met als doel een gelijke verdeling van de onderneming.
De Inspecteur paste de doorschuiffaciliteit toe op de wijziging van de verdeling van buitengewone baten en lasten, maar niet op de overdracht van het pand, wat leidde tot een aanslag op stakingswinst. Het hof verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de overdracht van het pand los stond van de wijziging in de winstverdeling.
De Hoge Raad stelt dat de overdracht van het pand deel uitmaakt van een samenstel van handelingen om tot gelijke gerechtigdheid in de onderneming te komen. Artikel 17 Wet Pro IB 1964 kan ook worden toegepast op gefaseerde overdrachten van een zelfstandig deel van een onderneming, waaronder overdracht van buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen valt. De beslissing van het hof wordt vernietigd en de aanslag wordt verminderd tot nihil, met vaststelling van het verlies over 1999.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt de toepassing van artikel 17 Wet IB 1964 op de overdracht van buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen binnen een man-vrouwfirma, waardoor de aanslag wordt verminderd tot nihil.