ECLI:NL:PHR:2007:AZ1488
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat vordering tot schadevergoeding na verval vernietigingsrecht huwelijksverdeling mogelijk blijft
Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn gescheiden waarbij zij hun huwelijksgoederengemeenschap verdeelden via een convenant en verdelingsakte. De vernietigingsvordering op grond van art. 3:196 BW Pro was na drie jaar vervallen. Eiseres stelde vervolgens een vordering tot schadevergoeding in op grond van onrechtmatige daad wegens misleiding en misbruik van omstandigheden bij de verdeling.
De rechtbank wees deze vordering af omdat de vernietigingsvordering was vervallen en daarmee ook een vordering uit onrechtmatige daad niet meer mogelijk zou zijn. Het hof bevestigde dit oordeel. De Hoge Raad stelde echter vast dat de vervaltermijn van art. 3:200 BW Pro uitsluitend ziet op de vernietigingsvordering en niet op een zelfstandige vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad.
De Hoge Raad benadrukte dat de wet geen exclusiviteit van de vernietigingsactie ten opzichte van de schadevergoedingsactie voorschrijft. De rechtsgevolgen van beide acties verschillen en de korte vervaltermijn beschermt derden tegen langdurige onzekerheid, wat bij schadevergoedingsvorderingen niet aan de orde is. De zaak werd terugverwezen voor verdere beoordeling van de onrechtmatigheid en schade.
Het arrest bevestigt dat na het verval van vernietigingsrecht een benadeelde partij nog steeds een schadevergoeding kan vorderen wegens onrechtmatig handelen bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad na het vervallen van de vernietigingsvordering op grond van art. 3:196 BW nog steeds kan worden ingesteld en verwijst de zaak terug.