ECLI:NL:PHR:2007:AZ2592

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/304HR
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:33 BWArt. 475h lid 1 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhaal van dubbele betaling door bank op rekeninghouder ondanks beslag

In deze zaak ging het om de vraag of een bank die door een interne fout het saldo van een rekening aan de rekeninghouder uitbetaalde, terwijl er beslag lag op die rekening, het bedrag dat zij nadien opnieuw aan de beslaglegger moest betalen, op de rekeninghouder kon verhalen op grond van artikel 6:33 BW Pro.

De feiten betroffen een conservatoir beslag op de bankrekening van eiser, waarbij de bank ten onrechte het saldo aan eiser had uitbetaald. Nadat het beslag executoriaal was geworden, betaalde de bank het bedrag opnieuw aan de beslaglegger en noteerde een debetstand op de rekening van eiser.

De rechtbank wees de vordering van de bank toe bij verstek, maar vernietigde dit vonnis later en wees de vordering af. Het hof stelde de bank echter in het gelijk en oordeelde dat de betaling aan eiser niet bevrijdend was tegenover de beslaglegger, waardoor de bank verhaal kon halen op eiser.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel van eiser dat stelde dat de bank geen beroep kon doen op artikel 6:33 BW Pro omdat de fout bij de bank lag en eiser geen verwijt trof. De Hoge Raad oordeelde dat het verhaalsrecht van de bank niet wordt beperkt door het ontbreken van verwijtbaarheid bij de rekeninghouder, omdat het hier gaat om een verrijkingsactie.

De klacht over onvoldoende motivering faalde eveneens, zodat het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de bank verhaal kan halen op de rekeninghouder voor het ten onrechte aan hem uitbetaalde bedrag ondanks beslag.

Conclusie

Rolnr. C05/304HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 17 nov. 2006
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
ABN-Amro Bank N.V.
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gaat in deze zaak om de vraag of een bank die als gevolg van een interne communicatiefout in weerwil van een beslag het saldo op een rekening aan de rekeninghouder heeft uitbetaald en nadien genoodzaakt werd opnieuw te betalen aan de beslaglegger, het aan de beslaglegger betaalde op de voet van art. 6:33 BW Pro op de rekeninghouder kan verhalen.
2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 1 en 2 van het arrest van het hof).
(i) In april 1996 is op verzoek van de gemeente Delft, hierna: de beslaglegger, onder thans verweerster in cassatie, hierna: de Bank, ten laste van thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], conservatoir beslag gelegd op de bankrekening van [eiser] die op dat moment een positief saldo van f 13.129,75 kende.
(ii) In december 1996 is dat bedrag in weerwil van het beslag aan [eiser] ter beschikking gesteld. Dit kon gebeuren, omdat het hoofdkantoor van de Bank in Amsterdam ten onrechte aan het filiaal in Delft had doorgegeven dat het beslag was opgeheven.
(iii) Nadat het conservatoir beslag executoriaal was geworden en de beslaglegger de Bank om afdracht vroeg, heeft de Bank het bedrag van f 13.129,75 aan de deurwaarder afgedragen. Op de rekening van [eiser] is toen een debetstand ter grootte van dat bedrag genoteerd.
3. In de onderhavige bij de rechtbank 's-Gravenhage aanhangig gemaakte procedure heeft de Bank (na wijziging van eis) van [eiser] betaling van voormeld bedrag met rente en kosten gevorderd.
4. Nadat de oorspronkelijke vordering van de Bank bij verstekvonnis van 14 september 1999 door de rechtbank was toegewezen, heeft de rechtbank op het verzet van [eiser] bij vonnis van 19 december 2001 het verstekvonnis vernietigd en de (inmiddels gewijzigde) vordering van de Bank alsnog afgewezen.
5. De Bank is van dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en had succes: bij arrest van 14 juli 2005 heeft het hof het bestreden vonnis (en het verstekvonnis) vernietigd en, opnieuw recht doende, [eiser] veroordeeld aan de Bank het bedrag van f 13.129,15, zijnde Euro 5.958,02, met de wettelijke rente te betalen. Het hof onderschreef de stelling van de Bank dat in dit geval art. 6:33 BW Pro van toepassing is en overwoog (r.o. 6):
"De betaling aan [eiser] in weerwil van het beslag was niet bevrijdend. De bank was genoodzaakt het bedrag aan de beslaglegger (opnieuw) te betalen. De bank heeft dan ook verhaal op [eiser] voor het aan de beslaglegger betaalde bedrag."
6. [Eiser] is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. De Bank is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
7. Het middel klaagt in de eerste plaats over schending door het hof van art. 6:33 BW Pro. Volgens het middel komt de Bank geen beroep op dat artikel toe omdat vaststaat dat de betaling aan [eiser] heeft plaats gevonden door een fout van de Bank en die fout niet mag worden afgewenteld op [eiser] die ten deze geen enkel verwijt gemaakt kan worden.
8. Deze klacht faalt. De vordering van [eiser] op de Bank uit hoofde van zijn bij de Bank gehouden rekening werd geblokkeerd door het beslag. Dit had tot gevolg dat de uitbetaling door de Bank van het saldo op de rekening aan [eiser] ten opzichte van [eiser] weliswaar bevrijdend was, maar tegen de beslaglegger niet kon worden ingeroepen (art. 475h lid 1 Rv). Van een omstandigheid die meebrengt dat de Bank de betaling aan [eiser] ook kon tegenwerpen aan de beslaglegger, zoals bijv. de omstandigheid bedoeld in het slot van art. 475h lid 1 Rv (zie nader Kluwers Verbintenissenrecht, losbl. Art. 33, aant. 6, bew. R.M.Ch.M. Koot en A.T. Bolt, en Asser-Hartkamp 4-I, nr. 205), is blijkens de gedingstukken door geen van beide partijen gesteld. De Bank was derhalve genoodzaakt, toen de beslaglegger haar om betaling vroeg, aan de beslaglegger opnieuw te betalen. Door deze tweede betaling ontstond krachtens art. 6:33 BW Pro het verhaalsrecht van de Bank op [eiser]. De omstandigheid dat de Bank behoorde te weten dat [eiser] als gevolg van het beslag inningsonbevoegd was en de omstandigheid dat [eiser] geen verwijt van de dubbele betaling valt te maken, staan daaraan, anders dan het middel kennelijk wil betogen, niet in de weg. Niet alleen voorziet art. 6:33 BW Pro of enige andere wettelijke bepaling niet in een zodanige uitzondering, maar ook het karakter van de verhaalsactie van art. 6:33 BW Pro dwingt niet tot het aanvaarden van een zodanige uitzondering. De actie heeft immers het karakter van een verrijkingsactie: door de tweede betaling aan de beslaglegger is de schuld van de schuldeiser aan de beslaglegger tenietgaan en wordt de schuldeiser zonder rechtsgrond verrijkt ten koste van de schuldenaar, zodat de schuldenaar verhaal heeft op de schuldeiser, ook al treft deze geen verwijt van de dubbele betaling. Vgl. Asser-Hartkamp 4-I, nr. 205.
9. In de tweede plaats klaagt het middel dat het hof zijn oordeel dat de Bank verhaal heeft op [eiser] voor het aan de beslaglegger betaalde bedrag, onvoldoende heeft gemotiveerd.
10. De klacht bouwt kennelijk voort op de aan de rechtsklacht ten grondslag liggende opvatting dat de verhaalsactie ex art. 6:33 BW Pro de Bank niet toekomt, indien [eiser] geen verwijt kan worden gemaakt van de dubbele betaling. Waar deze opvatting niet als juist kan worden aanvaard, was het hof niet gehouden om in te gaan op de door [eiser] aangevoerde omstandigheden ter ondersteuning van zijn stelling dat hem geen verwijt van de dubbele betaling kan worden gemaakt. De motiveringsklacht faalt derhalve.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden