ECLI:NL:PHR:2007:AZ2723
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg periodiek verrekenbeding en verrekening goodwill bij echtscheiding
Partijen zijn in 1987 onder huwelijkse voorwaarden getrouwd met een periodiek verrekenbeding. Het huwelijk werd in 2003 ontbonden. De vrouw was maat in een maatschap en financierde haar aandeel met een lening voor goodwill, waarvan rente en aflossing werden betaald van een gezamenlijke rekening. De man kreeg een schenking van zijn ouders die werd gebruikt voor de verbouwing van de echtelijke woning.
De rechtbank bepaalde dat de vrouw aan de man een bedrag moest voldoen ter verrekening van de schenking en de goodwill, waarbij de vordering voor de goodwill pas opeisbaar was bij uitkering. Het hof vernietigde dit en bepaalde dat de vrouw slechts een deel van de schenking hoefde te vergoeden en dat de goodwill niet hoefde te worden verrekend omdat de kosten ervan als ondernemingskosten de brutowinst verlaagden.
De Hoge Raad oordeelde dat de uitleg van het hof over de netto-inkomsten uit arbeid in het verrekenbeding niet onbegrijpelijk is en dat de kosten van goodwill niet uit netto-inkomsten worden verrekend. Ook bevestigde de Hoge Raad dat de man slechts recht heeft op vergoeding van de helft van de schenking die voor de woningverbouwing is gebruikt, ongeacht waardestijging van de woning. Het cassatieberoep van de man werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen; de goodwill wordt niet verrekend en de vrouw hoeft slechts een deel van de schenking te vergoeden.