ECLI:NL:PHR:2007:AZ2817
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermogensetikettering van panden bij gesplitst gebruik en koppelaankoop in inkomstenbelasting
Belanghebbende kocht in 1971 samen met een zakenpartner een pand met begane grond en bovenetages, waarbij de begane grond voor een horecaonderneming werd gebruikt en de bovenetages verhuurd werden. Het pand was juridisch niet gesplitst, maar de bovenetages hadden een eigen opgang en waren verhuurbaar zonder gebruik van de begane grond. Na ontbinding van de vennootschap woonde belanghebbende zelf in de eerste etage, die later aan derden werd verhuurd.
Het Hof oordeelde dat de bovenetages keuzevermogen vormen en dat belanghebbende binnen de grenzen der redelijkheid zijn aandeel in het gehele pand tot ondernemingsvermogen mocht rekenen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat keuzevermogen inherent is aan het fiscale systeem en verschillende belastingplichtigen tot verschillende keuzes kunnen komen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal bevat een uitgebreide analyse van de vermogensetikettering, waarbij wordt benadrukt dat de keuzevrijheid van de ondernemer geldt binnen de grenzen der redelijkheid en dat bij splitsbare panden de afzonderlijke delen afzonderlijk moeten worden geëtiketteerd. Bij wijziging van de aanwending van een pand kan heretikettering noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld bij staking van de onderneming of wijziging naar eigen bewoning.
De jurisprudentie wordt uitvoerig besproken, waaronder de criteria voor splitsbaarheid, de betekenis van koppelaankopen en de gevolgen van wijziging in gebruik. De Hoge Raad benadrukt dat feitelijke splitsbaarheid en zelfstandige verhuurbaarheid bepalend zijn voor verplichte splitsing en dat de grenzen der redelijkheid de keuzevrijheid limiteren.
Ten slotte wordt ingegaan op de foutenleer bij onjuiste etikettering en de mogelijkheid tot herziening van een gemaakte keuze onder bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de bovenetages vormen keuzevermogen en mogen tot het ondernemingsvermogen worden gerekend binnen redelijke grenzen.