ECLI:NL:PHR:2007:AZ3286

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00465/06
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 SrArt. 72 SrArt. 30 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigenArt. 36 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring vervolging wegens verjaring WAM-overtreding

Verdachte werd op 25 september 2002 veroordeeld door de kantonrechter voor het niet hebben afgesloten van een verplichte motorrijtuigenverzekering op 10 juli 2001, een overtreding onder de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). In hoger beroep werd verdachte op 11 oktober 2005 niet-ontvankelijk verklaard door het gerechtshof. Verdachte stelde cassatie in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

De Hoge Raad stelt vast dat de verjaringstermijn voor deze overtreding maximaal twee keer twee jaar bedraagt. Omdat het cassatieberoep tegen de niet-ontvankelijkverklaring faalt, wordt de uitspraak onherroepelijk en bestaat er geen recht tot strafvordering meer dat door verjaring kan vervallen. Dit voorkomt dat het gezag van onherroepelijke rechterlijke uitspraken wordt ondermijnd.

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de kantonrechter en verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de WAM-overtreding. Hierdoor hoeft het middel van cassatie niet inhoudelijk te worden besproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens verjaring.

Conclusie

Nr. 00465/06
Mr Machielse
Zitting 21 november 2006
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte op 11 oktober 2005 niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.(1)
2. Mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie. Het hof zou verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk hebben verklaard in het hoger beroep.
3.1. Allereerst wil ik Uw Raad ambtshalve op het volgende wijzen. Ten laste van verdachte is in eerste aanleg bewezenverklaard - zakelijk weergegeven - dat hij op 10 juli 2001 als bezitter van een motorrijtuig geen verzekering ingevolge de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen voor dat voertuig heeft afgesloten en in stand gehouden.
3.2. Bovengenoemd strafbaar feit is een overtreding.(2)
Art. 70 Sr Pro - voor zover van belang - luidt vanaf 1 januari 2006 als volgt:
"1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
1°. in twee jaren voor alle overtredingen;"
Art. 72 Sr Pro, tweede lid, Sr luidde van 1 januari 2006 tot en met 6 juli 2006 als volgt:
"Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het feit geldende verjaringstermijn.
Art. 72, tweede lid, Sr luidt met ingang van 7 juli 2006 als volgt:
"Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.
Opmerkingen:
Ten aanzien van de overtredingen die op het tijdstip waarop deze wijziging in werking treedt zijn verjaard, blijft lid 2 van toepassing zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging."
3.3. De hierboven weergegeven overgangsregeling is in casu van toepassing. Immers, vóór de inwerkingtreding van de wijziging van art. 72 Sr Pro op 7 juli 2006 en vóór de beslissing in hoger beroep op 11 oktober 2005(3) was de onderhavige overtreding - achteraf bezien - reeds verjaard. Er was sinds 10 juli 2001, de dag waarop de overtreding is begaan, al een periode verstreken gelijk aan twee keer de verjaringstermijn van twee jaren. De Hoge Raad zal daarom de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dienen te verklaren in de vervolging van de onderhavige overtreding. Het middel behoeft dan geen bespreking.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het vonnis van de Kantonrechter zal vernietigen en tevens dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaak onder nummer 00463/06, in welke zaak ik heden eveneens concludeer.
2 Zie art. 30 jo Pro. art. 36 Wet Pro aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
3 Het aanwenden van een rechtsmiddel dat niet (meer) openstaat heeft niet tot gevolg dat de beslissing waartegen het rechtsmidddel is aangewend geacht moet worden op het moment van dat aanwenden al onherroepelijk te zijn geworden; HR 10 december 1974, NJ 1975, 180. Ware dat wel het geval dan zou in deze zaak van een vervolgingsverjaring geen sprake zijn, omdat het dan onherroepelijk te achten vonnis van de kantonrechter immers op 25 september 2002 was gewezen.