ECLI:NL:PHR:2007:AZ3289

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00756/06
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 279 SvArt. 279 SvArt. 432.2 SvArt. 423.2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgingsschorsing wegens ontbreken vertaling dagvaarding niet gerechtvaardigd

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat de vervolging van verzoeker schorste omdat de dagvaarding niet in een voor hem begrijpelijke taal was gesteld. Verzoeker, verdacht van cocaïnesmokkel, was in eerste aanleg en hoger beroep niet aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door een gemachtigde raadsman.

Het hof oordeelde dat het ontbreken van een vertaling van de dagvaarding in een taal die verzoeker machtig is, schorsing van de vervolging rechtvaardigde. De Hoge Raad overweegt dat een dagvaarding niet nietig is wegens het ontbreken van een vertaling tenzij de verdachte daardoor ernstig in zijn belangen is geschaad. Daarbij is van belang dat verzoeker door zijn raadsman vertegenwoordigd werd en bij verhoor met tolk was gehoord, wat wijst op voldoende kennis van de beschuldiging.

De Hoge Raad benadrukt dat het ontbreken van een vertaling niet automatisch leidt tot nietigheid van de dagvaarding en dat de vervolging niet geschorst hoeft te worden als de verdachte niet op de hoogte is gesteld, maar dat in dat geval het onderzoek ter terechtzitting geschorst moet worden. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor verdere behandeling met verwerping van het beroep van verzoeker.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug met verwerping van het beroep van verzoeker.

Conclusie

Griffienr. 00756/06
Mr. Wortel
Zitting:21 november 2006 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdend te Leeuwarden, waarbij, met vernietiging van het in eerste aanleg gewezen vonnis, de tegen verzoeker ingestelde vervolging is geschorst.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens verzoeker. Mr M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam, heeft namens verzoeker een schriftuur houdende een cassatiemiddel ingediend.
3. Verzoeker is op Schiphol aangehouden op verdenking van smokkel van verdovende middelen; het zogenaamde 'bolletjesslikken'. Het bleek om ruim 600 gram cocaïne te gaan. Verzoeker heeft opgegeven dat hij in Spanje woont.
4. De rechter-commissaris in de Rechtbank te Haarlem heeft verzoeker, na hem te hebben verhoord, op 7 februari 2003 in bewaring gesteld. Op 12 februari 2003 is de gevangenhouding van verzoeker bevolen.
Op 27 februari 2003 is verzoeker een dagvaarding in persoon uitgereikt voor de terechtzitting van de politierechter in de Rechtbank te Haarlem, zitting houdend te Schiphol, van 18 december 2003. Op diezelfde dag, 27 februari 2003, is verzoeker op last van de officier van justitie in vrijheid gesteld. Ik neem aan (maar dat blijkt verder nergens uit) dat er op is toegezien dat verzoeker onmiddellijk het land verliet.
5. Bij de behandeling in eerste aanleg, op 18 december 2003, was verzoeker niet aanwezig. Ter terechtzitting verscheen wèl diens raadsman, die verklaarde nadrukkelijk tot het voeren van de verdediging gemachtigd te zijn, als bedoeld in art. 279 Sv Pro. Diverse verweren betreffende voorvragen zijn verworpen, en er is een veroordeling gevolgd.
Namens verzoeker is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft dat hoger beroep behandeld op zijn terechtzitting van 30 augustus 2005. In het daarvan opgemaakte proces-verbaal is vermeld dat het Hof bij twee eerdere gelegenheden de appèldagvaarding nietig heeft verklaard omdat deze niet op de voorgeschreven wijze was verstuurd naar verzoekers adres in Spanje.
Ter terechtzitting van 30 augustus 2005 deed zich dezelfde situatie voor als in eerste aanleg: verzoeker was niet aanwezig, maar de raadsman was er wel en verklaarde tot het voeren van de verdediging gemachtigd te zijn.
6. Een namens verzoeker gevoerd verweer heeft tot de volgende, bij arrest uitgesproken, beslissing geleid:
"De raadsman van verdachte heeft voorts ter terechtzitting betoogd dat de politierechter te Haarlem de inleidende dagvaarding nietig had behoren te verklaren. Deze dagvaarding is immers niet - mede - opgesteld in een taal die verdachte machtig is. Hierdoor is niet voldaan aan de aan een dagvaarding te stellen eisen. Zo heeft een dagvaarding onder meer een oproepingsfunctie, dient daarin informatie te worden verstrekt over de aard van de beschuldiging alsmede de aan verdachte toekomende rechten. Nu niet is voldaan aan deze volgens de raadsman met nietigheid bedreigde wettelijke voorschriften, dient het hof de inleidende dagvaarding alsnog nietig te verklaren en de zaak terug te verwijzen naar de politierechter in de rechtbank te Haarlem.
Het hof overweegt als volgt:
Het hof is van oordeel dat op grond van artikel 6, derde lid, van het EVRM in ieder geval aan een verdachte in een voor hem begrijpelijke taal meegedeeld moet worden wanneer en waar een behandeling ter zitting in zijn strafzaak zal plaatsvinden, teneinde hem in de gelegenheid te stellen van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te maken.
In deze zaak was aan verdachte bij zijn vertrek vanuit het politiebureau op 17 februari 2003 een in de Nederlandse taal gestelde dagvaarding voor de zitting van de politierechter in de rechtbank te Haarlem op 18 december 2003 uitgereikt. Voor zover bekend is verdachte na zijn invrijheidsstelling meteen teruggereisd naar het door hem opgegeven woonadres in Spanje.
Niet is gebleken dat aan verdachte de inhoud van de dagvaarding is meegedeeld of dat aan hem een vertaling van de dagvaarding in een taal die hij machtig is, is uitgereikt. Verdachte is op voornoemde zitting niet verschenen. Gelet hierop had de Politierechter ter zitting dienen te onderzoeken of verdachte op de hoogte was van de zitting en deze derhalve geacht kon worden afstand te hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, bij gebreke waarvan de behandeling van verdachtes zaak geen aanvang mocht nemen en - onder de omstandigheden zoals deze hierboven zijn geschetst en de rechtspraak van de Hoge Raad hieromtrent (HR 01-12-1981, NJ 1982, 155) - tot schorsing der vervolging besloten had moeten worden. Vervolgens had verdachte alsnog de informatie kunnen krijgen waarop hij recht had.
Het hof acht aldus het onderzoek van de politierechter ter zitting van 18 december 2003 nietig, zal op grond hiervan het vonnis van de politierechter vernietigen en alsnog beslissen wat de politierechter had behoren te doen."
7. Het middel strekt ten betoge dat het Hof de inleidende dagvaarding nietig had moeten verklaren, op dezelfde gronden die ook in feitelijke aanleg zijn aangevoerd. Kort gezegd: een dagvaarding in een strafzaak vervult zijn oproepingsfunctie niet, en dientengevolge wordt art. 6 EVRM Pro geschonden, indien een verdachte die (kenbaar) de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig is niet tevens een exemplaar ontvangt dat is opgesteld in een voor hem begrijpelijke taal.
8. Slechts terzijde merk ik op dat in de bestreden uitspraak door een kennelijke misslag is verwezen naar een op 17 februari 2003 uitgereikte dagvaarding, terwijl gedoeld moet zijn op de dagvaarding die op 27 februari 2003 is uitgereikt.
Afgezien daarvan moet me van het hart dat de beslissing van het Hof mij evenzeer verbaast als het verweer dat er de aanleiding toe gaf. Ik zet enkele punten, die voor beoordeling van de kwestie wezenlijk zijn, op een rijtje.
8.aEr kan geen misverstand over bestaan dat een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst recht heeft op de noodzakelijke informatie, in een taal die hij geacht kan worden voldoende machtig te zijn, aangaande a) de aard van de beschuldiging waartegen hij zich te verweren heeft, maar ook omtrent b) alle overige gegevens die onontbeerlijk zijn om verdedigingsrechten naar behoren te kunnen benutten. Uiteraard behoren daartoe plaats en tijdstip van de terechtzitting.
8.bBij mijn weten is evenwel nog nooit - in de tooi van Haags of Straatsburgs gezag - de eis gesteld dat aan elke verdachte van wie kan worden vermoed dat hij de Nederlandse taal niet goed beheerst, zonodig ambtshalve een vertaling van de dagvaarding (of nadere oproeping) in de door de verdachte gesproken taal moet worden uitgereikt.
Tot dusverre is alleen verlangd dat een verdachte die daarom verzoekt (althans te kennen geeft dat hij wegens taalproblemen niet in staat is het hem ter hand gestelde gerechtelijk stuk te doorgronden) de essentiële informatie in een voor hem begrijpelijke taal krijgt, bij voorkeur schriftelijk, vgl. EHRM NJ 1994, 25 (Brozicek vs Italië) en EHRM NJ 1994, 26 (Kamazinski vs Oostenrijk).
Zolang de verdachte niets vraagt (niet te kennen geeft dat onbekendheid met de Nederlandse taal hem verhindert kennis te nemen van het hem toegezonden of uitgereikte geschrift) is er geen verplichting om (ambtshalve) een vertaling van primaire processtukken, zoals dagvaardingen en oproepingen, te fourneren. Dat is onlangs nog eens bevestigd met betrekking tot de betekening van het 'OM-appèl', voorgeschreven in art. 409, tweede lid, Sv, vgl. HR 12 september 2006, LJN AW4395.
8.cVerweer en middel gebruiken art. 52 SUO Pro, betreffende het rechtstreeks aan een buitenlands adres toesturen van gerechtelijke stukken, als argument voor het tegenovergestelde standpunt, doch tevergeefs. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een vertaling van het stuk, althans de essentie ervan, moet worden bijgevoegd indien aannemelijk is dat de geadresseerde niet de taal van de toezendende Staat beheerst, of in een andere taal indien de toezendende autoriteit weet dat de geadresseerde slechts die andere taal machtig is. De door deze bepaling bestreken situatie - een gerechtelijk schrijven dat op een buitenlands adres moet worden bezorgd - noopt er uit zichzelf reeds toe rekening te houden met de waarschijnlijkheid dat de geadresseerde een andere taal spreekt. Deze verdragsbepaling kan daarom niet worden opgevat als belichaming van een verplichting die ook bij betekeningen op het eigen grondgebied in acht genomen moet worden.
8.dVoor zover het onthouden van informatie in een voor de verdachte begrijpelijke taal al tot nietigheid van een dagvaarding zou moeten voeren, is dat geen formele nietigheid. Daarom zou aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden of de verdachte door het verzuim zó ernstig in zijn belangen is geschaad dat deze vèrstrekkende sanctie passend is.
9. Dat laatste lijkt de raadsman, thans steller van het middel, in ieder geval te miskennen waar hij bij verweer, en nu als cassatieklacht, staande houdt dat het niet aan verzoeker uitreiken van een vertaalde dagvaarding zonder meer tot nietigheid van dit stuk moet voeren.
10. Ik zou althans benieuwd zijn te vernemen hoe een raadsman ter terechtzitting met droge ogen kan beweren dat de verdachte hem nadrukkelijk heeft gemachtigd de verdediging te voeren, maar tegelijkertijd volhouden dat zijn buitenlandse cliënt onkundig is van de omstandigheid dat hij terecht moet staan. De in art. 279 Sv Pro bedoelde mededeling dat de raadsman tot verdediging van de niet-verschenen verdachte gemachtigd is impliceert dat de verdachte beseft dat er een strafzaak tegen hem loopt. Dientengevolge ecarteert deze met het oog op art. 279 Sv Pro gedane mededeling elke mogelijkheid dat de verdachte door ontbrekende vertaling van de dagvaarding zozeer in zijn verdedigingsrechten wordt geschaad dat nietigheid van de dagvaarding de onontkoombare sanctie is.
11. Voor zover al denkbaar is dat een raadsman zich van de in art. 279 Sv Pro bedoelde machtiging voorzien weet, en zichzelf ook in staat acht om de verdediging in volle omvang te voeren (gelijk in deze zaak overduidelijk is geschied), doch niettemin vreest dat zijn cliënt essentiële informatie mist, zoals de precieze beschuldiging of dag en plaats van de zitting, en van mening is dat de verdachte die informatie, met het oog op een nòg betere benutting van verdedigingsrechten, alsnog moet krijgen, staat een voor de hand liggende weg open: aanhouding vragen. Dat is in deze zaak dan ook in beide instanties geschied. Ik kom daar nog op terug.
12. Het middel is dus kansloos.
13. Met betrekking tot de bestreden uitspraak merk ik het volgende op.
14. Kennelijk heeft het Hof willen bewerkstelligen dat de vervolging alsnog kan worden voortgezet nadat verzoeker in het bezit is gesteld van een vertaling van de dagvaarding, zonder dat verzoeker een instantie zal missen.
Zoals het Hof zijn beslissing heeft geformuleerd kleeft daar in ieder geval het schoonheidsfoutje aan dat de kans zeer groot is dat deze strafzaak in een limbo zal blijven ronddolen. Of hoe men het voorgeborchte van strafprocessuele vergetelheid maar wil noemen; 'archief' is wellicht de beste aanduiding. Om de kennelijk door het Hof gewenste oplossing te bereiken, had het de zaak, na vernietiging van het vonnis en schorsing van de vervolging, terug moeten wijzen naar de eerste aanleg. Zonder die terugwijzing is niet gegarandeerd dat de juiste persoon op het idee komt dat er iets geregeld moet worden om de zaak weer in gang te zetten. Daar had het Hof rekening mee moeten houden, en dat is overigens ook te vinden in het door het Hof zelf aangehaalde HR NJ 1982, 155.
15. Bovenal acht ik, eerlijk gezegd, volstrekt onbegrijpelijk de overweging dat "niet is gebleken dat aan verdachte de inhoud van de dagvaarding is meegedeeld of dat aan hem een vertaling van de dagvaarding in een taal die hij machtig is, is uitgereikt". De verdediging heeft niet eens (met stelligheid) beweerd dat verzoeker van deze informatie in zijn eigen taal verstoken is gebleven. In eerste aanleg is het punt onbeslist gebleven. De officier van justitie wees er op "dat bij de uitreiking van de dagvaarding een begeleidende toelichting in een andere taal aan een verdachte wordt overhandigd". Daarop verzocht de raadsman aanhouding, teneinde van de verdachte te kunnen vernemen of deze zo'n toelichtende vertaling van de dagvaarding heeft ontvangen.
De in hoger beroep voorgedragen pleitaantekeningen houden in dat verzoeker geen geschreven vertaling van de dagvaarding heeft ontvangen, maar de raadsman heeft keurig in het midden gelaten of verzoeker misschien wel een toelichting (in zijn eigen taal) heeft meegekregen. Sterker nog: in subsidiaire zin werd wederom aanhouding verzocht om te kunnen nagaan of verzoeker zo'n toelichting heeft gekregen.
16. Nog afgezien daarvan heeft het Hof onvoldoende doen blijken dat het zich daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven van de cruciale vraag of verzoeker voldoende informatie over deze strafzaak heeft gekregen. Ten minste had het Hof zich moeten realiseren dat (afhankelijk van de omstandigheden van het geval) ook mondelinge toelichting kan volstaan om een anderstalige te informeren omtrent de in de dagvaarding vervatte informatie. De advocaat-generaal bij het Hof wees daar terecht op. Daarnaast is het Hof voorbij gegaan aan de omstandigheid dat er reeds in eerste aanleg een gemachtigde raadsman is opgetreden. Daaruit moet wel worden afgeleid dat de verdachte op de hoogte was van de tegen hem lopende strafzaak. De logica daarvan lijkt me tamelijk dwingend. Hier komt nog bij dat verzoeker bij de rechter-commissaris is gehoord met behulp van een tolk, terwijl ook de bij die gelegenheid opgenomen verklaring uitwijst dat verzoeker zeer wel begreep waarvan hij wordt verdacht.
17. Kortom: een verdachte die moet hebben begrepen waarvan hij wordt verdacht, en een advocaat die ter terechtzitting komt melden dat hij is gemachtigd om voor de niet-verschenen verdachte de verdediging te voeren (en dat ook in volle omvang doet). Bij die stand van zaken de vervolging schorsen omdat niet zeker is of de verdachte wel voldoende informatie heeft gekregen is een beslissing die naar mijn gevoel aan het bizarre grenst.
18. Ik zie derhalve grond voor ambtshalve vernietiging.
Teneinde te bevorderen dat deze zaak zo voortvarend mogelijk verder kan worden behandeld concludeer ik bij vervroeging, en wel op de eerste zitting waarop de zaak bij de Hoge Raad dient.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep en met inachtneming van de beslissingen van de Hoge Raad te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het namens verzoeker ingestelde beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,