ECLI:NL:PHR:2007:AZ3758
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling richtlijnconforme uitleg van het verlaagde BTW-tarief voor sportbeoefening bij wandelevenement
Deze zaak betreft de uitleg van tabelpost b.3 van de Wet op de omzetbelasting 1968, die het verlaagde BTW-tarief regelt voor het geven van gelegenheid tot sportbeoefening en baden. Belanghebbende organiseert een vierdaags wandelevenement en brengt inschrijfgelden in rekening. De vraag is of deze prestatie onder het verlaagde tarief valt, mede aan de hand van de vraag of het parcours als sportaccommodatie kan worden aangemerkt.
Het Hof oordeelde dat de wetgever met tabelpost b.3 bewust een ruimere regeling heeft beoogd dan de post 13 van bijlage H van de Zesde BTW-richtlijn, die het recht gebruik te maken van sportaccommodaties betreft. Hierdoor is een strikt richtlijnconforme uitleg niet mogelijk en valt de prestatie onder het verlaagde tarief. De Staatssecretaris stelde cassatie in, stellende dat het Hof ten onrechte de richtlijnconforme uitleg heeft geweigerd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal bevestigt het oordeel van het Hof. De tekst en wetsgeschiedenis tonen dat de wetgever een ruimere werking wilde dan de richtlijn voorschrijft. Bovendien is het parcours van het wandelevenement niet zonder meer aan te merken als sportaccommodatie. De Hoge Raad wordt geadviseerd het beroep ongegrond te verklaren en aldus het verlaagde tarief toe te passen op de diensten van belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het verlaagde BTW-tarief wordt toegepast op de diensten van belanghebbende.