1 Uitspraak van Gerechtshof Arnhem d.d. 2 maart 2006, nr. 04/00329, LJN AV6387.
2 Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2001, Stb. 2001, 701, artikel II.
3 De Hofuitspraak verwijst naar artikel 9, lid 2, onderdeel b: bedoeld zal zijn onderdeel a.
4 De Hofuitspraak verwijst naar post b.13 van bijlage H van de Zesde Richtlijn: bedoeld zal zijn post 13 van bijlage H.
5 Uitspraak van Gerechtshof Arnhem d.d. 2 maart 2006, nr. 04/00329, LJN AV6387.
6 In het beroepschrift in cassatie verwijst de Staatssecretaris van Financiën naar onderdeel b van artikel 9, tweede lid: bedoeld zal zijn onderdeel a.
7 Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 10 maart 1994, nr. DB94/807, Vakstudie, Artikel 11, eerste lid, onderdeel f, aantekening 11.3.4.
8 VN 2002/3.10.1.
9 Kamerstukken Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2001-2002, 28 015, nr. 3, p. 2, p. 3 en p. 28 e.v.
10 Kamerstukken Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2001-2002, 28 015, nr. 6, p. 25 en 26.
11 Tweede Kamer, 14 november 2001, TK 23, 23-1696, VN 2001/59.17.
12 Eerste Kamer, 11 december 2001, EK 12 12-641.
13 M.H. Wissink, Richtlijnconforme interpretatie van burgerlijk recht, Kluwer-Deventer, 2001, p. 9.
14 K. Lenaerts en P. van Nuffel, Europees recht in hoofdlijnen, derde herbewerkte uitgave, Antwerpen/Apeldoorn, nr. 740.
15 J.H. Jans, R. de Lange, S. Prechal en R.J.G.M. Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht, Nijmegen 2002, p 137 en 138.
16 M.H. Wissink, Richtlijnconforme interpretatie van burgerlijk recht, Kluwer-Deventer, 2001, p. 91.
17 M.H. Wissink, Richtlijnconforme interpretatie van burgerlijk recht, Kluwer-Deventer, 2001, p. 106.
18 HvJ EG, 10 april 1984, Von Colson en Kamann, nr. 14/83, Jur. 1984, blz. 1891, r.o. 26; HvJ EG, 10 april 1984, Harz, nr. 79/83, Jur. 1984, blz. 1921, r.o. 26.
19 HvJ EG, 13 november 1990, Marleasing, nr. C-106/89, Jur. 1990, blz. I-4135, r.o. 8.
20 HvJ EG, 16 december 1993, Wagner Miret, nr. C-334/92, Jur. 1993, blz. I-6911, r.o. 20.
21 HvJ EG, 16 juli 1998, Silhoutte, nr. C-355/96, Jur. 1998, blz. I-4799, r.o. 36.
22 HvJ EG, 8 oktober 1987, Kolpinghuis Nijmegen, Jur. 1987, blz. 3969, r.o. 13.
23 HvJ EG, 26 september 1996, Arcaro, nr. C-168/95, Jur. 1996, p. I-4705, r.o. 36 en 42.
24 M.H. Wissink, Richtlijnconforme interpretatie van burgerlijk recht, Kluwer-Deventer, 2001, p. 171 e.v.
25 M.H. Wissink, Richtlijnconforme interpretatie van burgerlijk recht, Kluwer-Deventer, 2001, p. 201-207.
26 M.H. Wissink, Richtlijnconforme interpretatie van burgerlijk recht, Kluwer-Deventer, 2001, p. 205.
27 Hoge Raad, 5 april 1978, 1e IJ-veren-arrest, nr. 18 474, BNB 1978/169, met noot L.F. Ploeger.
28 HvJ EG, 1 april 1982, Hong-Kong Trade Development Council, nr. 89/81, Jur. 1982, blz. 1277.
29 Hoge Raad, 24 april 1987, Ubbink Isolatie/Dak en Wandtechniek, nr. 12 904, NJ 1987/660 r.o. 3.5; vervolg procedure na beantwoording prejudiciële vragen: Hoge Raad, 7 april 1989, NJ 1989/630.
30 Hoge Raad, 25 oktober 1996, Pink Floyd/Rigu Sound, nr. 16 020, NJ 1997/649, r.o. 3.3. en 3.4.
31 M.H. Wissink, Richtlijnconforme interpretatie van burgerlijk recht, Kluwer-Deventer, 2001, p. 84 e.v.
32 Hoge Raad, 24 januari 1996, nr. 29 954, BNB 1996/138, met noot I.J.F.A. van Vijfeijken.
33 Hoge Raad, 20 oktober 1995, Van Asseldonk/Ter Schure, nr. 15 767, NJ 1996/330, r.o. 3.5.
34 A.J. Blank, Het geven van gelegenheid tot sportbeoefening, WFR 2002/691, onderdelen 4.1 t/m 4.2.2.
35 A.J. Blank, WFR 2002/691, onderdeel 4.2.3.
36 HvJ EG, 21 januari 2001, Stockholm Lindöpark, C-150/99, Jur. EG 2001 blz. I-00493.
37 De Staatssecretaris gaat ook uit van deze gedachte, zie het Besluit van de Staatssecretaris van 28 februari 2002, nr. CPP2002/602, VN 2002/14.29. Dit leidt overigens tot merkwaardige verschillen in BTW behandeling zoals blijkt uit de in het aangehaalde Besluit gegeven voorbeelden. Ervan uitgaande dat degene die de accommodatie ter beschikking stelt ook het verlaagde tarief mag toepassen op bijkomende prestaties als training en instructie, kan de tennisleraar die zelf een baan huurt en daarop lessen aanbiedt het verlaagde tarief toepassen op de gehele prestatie, terwijl de tennisleraar die les geeft op een door de leerling gehuurde baan het normale tarief in rekening dient te brengen. Hoe dit zich verhoudt met het neutraliteitsbeginsel is maar de vraag. Zie ook over tabelpost b.3.: VN 2005/12.27, Besluit Staatssecretaris van Financiën van 15 februari 2005, nr. CPP2004/2318M alsmede K. Dijkstra, Sportieve BTW heffing, BTW bulletin 2005/9, blz. 8-11. Deze auteur vraagt zich af of het neutraliteitsbeginsel niet wordt geschonden in bepaalde situaties.
38 Van geval tot geval zal immers beoordeeld moeten worden of het geven van trainingen en instructies door de exploitant van een sportaccommodatie, opgaat in de prestatie bestaande uit het in gebruik geven van een sportaccommodatie. Zie bijvoorbeeld: HR 11 april 2003, nr. 38 125, BNB 2003/266 (m.nt. Van Kesteren.) waarin de Hoge Raad juist besliste dat het toegang verlenen tot een skihal opgaat in de prestatie bestaande uit skicursussen aan de deelnemers. Voor de deelnemers was de skicursus het belangrijkste doel om de dienst van de belanghebbende af te nemen.
39 Zie bijvoorbeeld: Jolande M. Prinssen, Doorwerking van Europees recht, Deventer 2004, p. 52.
40 Brief van de belanghebbende van 8 januari 2003, p. 2-3.
41 Zie de opmerking hierover van A-G Jacobs in onderdeel 39 van zijn conclusie bij het hiervoor al aangehaalde arrest van het HvJ EG in de zaak Lindöpark: "In de tweede plaats, en meer specifiek, blijkt uit punt 13 van de lijst - in bijlage H bij de Zesde richtlijn - van goederen en diensten waarop verlaagde tarieven kunnen worden toegepast, dat het gebruik (...) maken (...) van sportaccommodaties" in beginsel aan BTW is onderworpen. Men kan zich moeilijk voorstellen dat sportaccommodaties in die context geen onroerende goederen zouden kunnen omvatten - naar mijn mening wordt hier juist in de eerste plaats op dit soort accommodaties gedoeld."