ECLI:NL:PHR:2007:AZ3867

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02050/05
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 IVBPR
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring zware mishandeling met glas in discotheek

Op 13 juni 2003 vond in een discotheek te Delft een incident plaats waarbij verdachte [verdachte] een persoon, het slachtoffer, met een glas in het gezicht sloeg, wat leidde tot ernstig oogletsel. Het hof verklaarde bewezen dat verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door het slachtoffer met een glas te slaan.

De bewijsvoering bestond uit verklaringen van verdachte, het slachtoffer en een getuige, alsmede medische rapporten waaruit het blijvende letsel bleek. De getuige verklaarde een zwaaiende en slaande beweging met het glas te hebben gezien, maar twijfelde of het slachtoffer daadwerkelijk geraakt werd.

De verdediging stelde dat het hof de verklaring van de getuige had gedenatureerd door voorbij te gaan aan diens twijfel. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof de verklaring juist heeft geïnterpreteerd als een gevolgtrekking van de getuige en dat de overige bewijsmiddelen de bewezenverklaring ondersteunen.

Het cassatiemiddel werd verworpen en de veroordeling van verdachte tot een taakstraf en schadevergoeding werd bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaring van zware mishandeling en handhaaft de taakstraf en schadevergoeding.

Conclusie

Nr. 02050/05
Mr. Vellinga
Zitting: 28 november 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "zware mishandeling" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 4.445,08. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Namens verdachte heeft mr. J.A. Schadd, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van getuige [getuige 1] door het Hof is gedenatureerd waardoor het recht van verdachte op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro en art. 14 IVBPR Pro, is geschonden.
4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 13 juni 2003 te Delft aan een persoon genaamd [het slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een hoornvliesbeschadiging), heeft toegebracht, door deze opzettelijk eenmaal met een drinkglas in/tegen het gezicht te slaan."
5. Hiertoe heeft het Hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd:
1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 januari 2004 verklaard -zakelijk weergegeven-:
"U vraagt mij naar het gebeurde op 13 juni 2003. Ik was in discotheek [...] te Delft. Daar trof ik de jongen, die later [het slachtoffer] bleek te heten. Er was duw- en trekwerk tussen ons. We kwamen op de dansvloer terecht. Het klopt dat ik toen een glas in mijn hand had. Ik zag dat mijn hand bloedde en dat het glas stuk was. Ook zag ik dat het gezicht van [het slachtoffer] bloedde."
2. De verklaring van de getuige [het slachtoffer].
De getuige [het slachtoffer] heeft bij de rechter-commissaris op 8 december 2004 verklaard -zakelijk weergegeven-:
"U vraagt mij wat ik mij kan herinneren van het voorval van 13 juni 2003. We waren in discotheek [...]. [Verdachte] kwam op mij af en begon mij achteruit te duwen. Hij hield me met één hand vast. Ineens voelde ik een enorme klap op mijn gezicht. Ik hoorde iets breken. Ik voelde meteen glas in mijn nek vallen. Ik voelde een brandende pijn in mijn nek en bij mijn wenkbrauw. Bloed kwam daar vrij hard uitlopen. Ik heb zijn arm op een gegeven moment voor mij langs zien komen. Toen [verdachte] op mij af kwam lopen had hij een biertje in zijn hand."
3. De verklaring van de getuige [getuige 1].
De getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris op 8 december 2004 verklaard -zakelijk weergegeven-:
"U vraagt mij wat ik mij kan herinneren van het voorval van 13 juni 2003. Ik was die avond in discotheek [...]. Op een gegeven moment was er ruzie tussen twee personen. Vervolgens zag ik dat de ene jongen een glas in zijn hand had en de andere jongen daarmee geraakt heeft. Ik heb echt gezien dat de ene jongen met het glas een zwaaiende beweging maakte. Ik zag dat een slaande beweging werd gemaakt met het glas door die ene jongen. De beweging met dat glas werd op ongeveer 4 meter van mij vandaan gemaakt."
4. Het proces-verbaal van politie Haaglanden, nr. PL 1582/2003/16267-12, d.d. 16 augustus 2003, p. 15 e.v., opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als de op 16 augustus 2003 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [het slachtoffer]:
"Ik ben onder behandeling bij een oogspecialist. Door de mishandeling is mijn hoornvlies beschadigd, waardoor er littekenweefsel op het hoornvlies is ontstaan. Van de arts heb ik vernomen dat ik nog maar 25% gezichtsvermogen heb met mijn rechteroog. Volgens de arts is er blijvend letsel ontstaan."
5. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 28 november 2003 met betrekking tot [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1978, opgemaakt en ondertekend door K. Herman, oogarts bij het oogziekenhuis Rotterdam. Deze verklaring houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
"Klinische bevindingen (op 7-7-03)
Ter hoogte van het rechteroog uitgebreid cornealitteken met secundair irregulair astigmatisme, waarvoor het dragen van een harde contactlens geïndiceerd is. De schade opgelopen aan het rechteroog is irreversibel."
6. De verklaring van de getuige [getuige 1], afgelegd bij de rechter-commissaris, luidt voor zover hier van belang:
"Toen ik terugkwam, hadden die twee personen weer ruzie en was erger duw- en trekwerk. Tussen mij en het voorval stond een aantal mensen. Vervolgens zag ik dat ene jongen een glas in zijn hand had en de andere jongen daarmee geraakt heeft. Ik kende beide personen niet. Ik heb echt gezien dat de ene jongen met het glas een zwaaiende beweging maakte. Ik stond toen op de dansvloer met iemand te praten en zag dat een slaande beweging werd gemaakt met het glas door die ene jongen. Ik kan mij niet herinneren met welke hand die slaande beweging werd gemaakt. Ik heb eigenlijk niet gezien dat de andere jongen door het glas is geraakt, ik zou dat niet durven zeggen. De zwaaiende of slaande beweging met dat glas werd op ongeveer 4 meter van mij vandaan gemaakt.
7. Het Hof heeft deze verklaring voor het bewijs gebruikt doch is daarbij voorbijgegaan aan de verklaring van de getuige voor zover luidende:
"Ik heb eigenlijk niet gezien dat de andere jongen door het glas is geraakt, ik zou dat niet durven zeggen"
Volgens het middel heeft het Hof dusdoende de verklaring van de getuige gedenatureerd.
8. Legt een getuige een belastende verklaring af en komt hij daar in een latere verklaring op terug, dan kan de rechter geloof hechten aan de eerste verklaring en deze voor het bewijs gebruiken. De eerste verklaring wordt dan niet gedenatureerd omdat de rechter daaraan geen andere betekenis heeft gegeven.(1) De rechter hecht eenvoudigweg geen geloof aan de tweede verklaring waarin de getuige op zijn eerste verklaring terugkomt.
9. In het onderhavige geval ligt het minder eenvoudig. Bij doorvragen blijkt de getuige toch niet zo zeker van zijn zaak. Zijn uiteindelijke verklaring is dat hij niet heeft gezien of de verdachte [het slachtoffer] met het glas heeft geraakt. Door in een dergelijke situatie voorbij te gaan aan hetgeen de getuige uiteindelijk heeft verklaard, heeft het Hof aan de verklaring van de getuige een andere betekenis gegeven en derhalve de verklaring van de getuige gedenatureerd.
10. Het is niet ondenkbaar dat het voorgaande anders zou zijn geweest wanneer het Hof aan zijn keuze een duidelijke motivering ten grondslag had gelegd. Deze motivering ontbreekt echter.
11. Het middel is terecht voorgedragen.
12. Voor de vraag of het middel tot vernietiging van het bestreden arrest moet leiden is van belang of het bewijsmateriaal voor het overige, dus afgezien van de verklaring van de getuige [getuige 1] voor zover inhoudende dat [het slachtoffer] door het glas is geraakt, de bewezenverklaring kan dragen. Afgezien van bedoelde passage uit de verklaring van de getuige [getuige 1] houden de bewijsmiddelen in dat er in de discotheek [...] duw- en trekwerk tussen de verdachte en [het slachtoffer] was waarbij beiden op de grond terecht kwamen, de verdachte daarbij een glas in de hand had, [het slachtoffer], terwijl hij door de verdachte met een hand werd vastgehouden een enorme klap op zijn gezicht voelde en vervolgens glas in zijn nek voelde vallen en bloed uit zijn wenkbrauw voelde lopen, en de verdachte, zoals het Hof de verklaring van de getuige [getuige 1] kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft verstaan, als de persoon die met een andere persoon in de discotheek [...] ruzie had, met een glas in zijn hand een zwaaiende, slaande beweging maakte. Nu verdachte met een glas in de hand een slaande beweging naar [het slachtoffer] heeft gemaakt terwijl hij ruzie met deze had en [het slachtoffer] na een klap in zijn gezicht glas in zijn nek voelde ligt het voor de hand dat de verdachte [het slachtoffer] al slaande met het glas in de hand heeft geraakt. Derhalve kan het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.
13. Het middel faalt.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. bijvoorbeeld HR 4 januari 2000, NJ 2000, 225 en HR 23 oktober 1990, NJ 1991, 328; zie ook Corstens 2005, p. 641.