ECLI:NL:PHR:2007:AZ4840
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ongerechtvaardigde ongelijke fiscale behandeling van kosten rechtsbijstand bij ontslag
Belanghebbende startte in 2001 een bodemprocedure tegen zijn werkgever wegens ontslag en betaalde in 2002 €7.242 aan kosten van rechtsbijstand. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 waren deze kosten aftrekbaar, maar onder de Wet inkomstenbelasting 2001 niet meer, terwijl de kosten wel belastingvrij vergoed kunnen worden. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, ondanks het oordeel dat sprake is van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling.
De Procureur-Generaal concludeert dat de keuze van de wetgever om aftrek van deze kosten uit te sluiten, maar wel belastingvrije vergoeding toe te staan, van redelijke grond ontbloot is. Kosten van rechtsbijstand bij ontslag zijn niet conflictgevoelig en de omvang is makkelijk vast te stellen, waardoor aftrek niet tot noemenswaardige uitvoeringsproblemen leidt. De veronderstelling dat werkgevers deze kosten vergoeden is onrealistisch, omdat bij arbeidsconflicten werkgever en werknemer tegenover elkaar staan.
De Hoge Raad acht het niet zijn taak om rechtsherstel te bieden en laat de keuze voor reparatie van de discriminatie aan de wetgever. De conclusie is dat de Wet inkomstenbelasting 2001 de werknemer discrimineert die deze kosten maakt, maar dat de rechter geen effectieve rechtsbescherming kan bieden binnen het huidige wettelijke kader.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het principale en incidentele beroep ongegrond en laat de reparatie van de discriminatie aan de wetgever over.