ECLI:NL:PHR:2007:AZ4841
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale aftrekbaarheid van kosten rechtsbijstand bij arbeidsconflicten
Belanghebbende was in 2002 werkzaam bij A BV en werd op 5 november 2002 uit het bedrijf verwijderd. Hij spande een kort geding aan, waarbij de rechter hem weer in dienst stelde en zijn loonvordering toewijst. De advocaatkosten bedroegen €7.651,33, waarvan €2.499 door belanghebbende werd betaald en als negatief loon werd opgevoerd in zijn belastingaangifte. De Inspecteur liet deze kosten niet toe als aftrekpost. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de Wet IB 2001 geen aftrek van deze kosten toestaat, terwijl zij wel belastingvrij vergoed kunnen worden.
De kern van het geschil betreft de ongelijke fiscale behandeling van kosten van rechtsbijstand bij arbeidsconflicten: onder de Wet IB 1964 waren deze aftrekbaar, onder de Wet IB 2001 niet meer, terwijl vergoeding daarvan belastingvrij blijft. De Advocaat-Generaal concludeert dat deze ongelijke behandeling niet van redelijke grond is ontbloot en dus discriminerend is. Hij benadrukt dat het niet realistisch is te veronderstellen dat werkgevers deze kosten zullen vergoeden, zeker niet bij conflicten waarin zij zelf partij zijn.
De conclusie gaat uitgebreid in op de wetsgeschiedenis, parlementaire debatten en jurisprudentie, waaronder het arrest BNB 2005/310. De kosten van rechtsbijstand bij ontslagprocedures zijn zakelijk, niet conflictgevoelig en makkelijk vast te stellen, en de huidige regeling leidt tot disproportionele fiscale discriminatie. De Hoge Raad past het oordeel toe dat het aan de wetgever is om de ongelijkheid te repareren, zodat de rechter geen rechtsherstel kan bieden. De zaak illustreert de spanning tussen doelmatige belastingheffing en het gelijkheidsbeginsel.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de ongelijkheid in fiscale behandeling blijft, maar reparatie is aan de wetgever.