ECLI:NL:PHR:2007:AZ6092
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens gebreken en onderhoudstekortkomingen
Partijen sloten in december 1999 een huurovereenkomst voor een bedrijfsverzamelgebouw, die in januari 2000 inging. De huurster meldde gebreken aan het gehuurde en schortte huurbetalingen op. Na diverse procedures oordeelde de kantonrechter dat de huurprijs met 15% werd verminderd wegens verminderd huurgenot door gebreken. De huurster vorderde daarnaast schadevergoeding wegens niet-verhuren door nalatig onderhoud.
In hoger beroep werd de huurster niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen tussenvonnissen en werd het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De Hoge Raad stelt echter dat het hof onduidelijk en onjuist heeft geoordeeld over de toerekenbaarheid van tekortkomingen, het vereiste van ingebrekestelling en de bewijswaardering van de gebreken, met name omtrent de toezegging voor buitenschilderwerk en tuinonderhoud.
De Hoge Raad benadrukt dat onder het oude huurrecht de verhuurder aansprakelijk is voor gebreken die het gebruik geheel of in belangrijke mate verhinderen, zonder dat ingebrekestelling vereist is indien de verhuurder bekend was met de gebreken. Ook wijst de Hoge Raad op het belang van een duidelijke en begrijpelijke motivering van het hof en stelt dat het hof voorbij is gegaan aan betwistingen van de verhuurder in appel.
De Hoge Raad concludeert dat de bestreden arresten vernietigd moeten worden en dat verdere behandeling van de zaak noodzakelijk is, waarbij onder meer moet worden onderzocht of de verhuurder tekort is geschoten en of de huurster recht heeft op huurvermindering en schadevergoeding.
Uitkomst: Bestreden arresten vernietigd, zaak terugverwezen voor nadere beoordeling van tekortkomingen en schade.