ECLI:NL:PHR:2007:AZ6168
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid oplegging werkstraf ondanks weigering verdachte
De Hoge Raad heeft in dit arrest het oordeel van het Hof bevestigd dat het opleggen van een werkstraf niet onverenigbaar is met art. 4, tweede lid, EVRM, ook wanneer de verdachte bij de behandeling in hoger beroep aangeeft niet bereid te zijn de werkstraf te ondergaan. De verdachte werd veroordeeld wegens onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag met geweld of bedreiging en bedreiging gericht tegen het leven.
Het Hof had de verdachte een werkstraf van 120 uur opgelegd, met als subsidiair alternatief 60 dagen hechtenis. De Hoge Raad stelt dat het opleggen van de werkstraf niet betekent dat de verdachte tegen zijn wil wordt tewerkgesteld, omdat hij kan kiezen tussen het uitvoeren van de werkstraf of het ondergaan van de vervangende hechtenis.
De Hoge Raad weegt ook de wetsgeschiedenis en parlementaire toelichting mee, waarin is gesteld dat een werkstraf niet gelijkstaat aan dwangarbeid in de zin van het EVRM. De verdachte kan op het moment van uitvoering weigeren, waarna de strafrechterlijke sanctie volgt. Verder oordeelt de Hoge Raad dat het bewijs voor de bedreiging en het gebruik van een mes voldoende is onderbouwd en dat de klachten over de bewijsvoering falen.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en het opleggen van een werkstraf ondanks de weigering van de verdachte deze uit te voeren.