ECLI:NL:PHR:2007:AZ6644

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/039HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 FwArt. 292 lid 4 FwArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstaan van schulden

Verzoeker diende een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling met een totale schuldenlast van ongeveer €43.450, waarvan een groot deel aan de CMV Bank.

De rechtbank wees het verzoek af omdat verzoeker de schulden zeer lichtvaardig was aangegaan en niet te goeder trouw was. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat derden van hem hadden geprofiteerd en dat hij de leningen niet voor zichzelf had aangegaan.

In cassatie richt verzoeker zich tegen het oordeel dat hij niet te goeder trouw was, met het argument dat hij de schulden weliswaar heeft aangegaan, maar dat de feitelijke schuldenaren derden waren en dat dit in goed vertrouwen is gebeurd.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof als feitenrechter een eigen beoordeling heeft gemaakt die in cassatie niet kan worden herzien. Bovendien blijft het oordeel van het hof overeind dat verzoeker, zelfs als derden van hem profiteerden, de schulden niet te goeder trouw is aangegaan vanwege de omvang en lichtvaardigheid.

Daarom wordt het cassatieberoep verworpen en blijft de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering in stand.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw ontstaan van schulden.

Conclusie

Rek.nr. R06/039HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 19 jan. 2007
conclusie inzake
[Verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Thans verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], heeft op 14 november 2005 bij de rechtbank 's-Gravenhage een verzoekschrift ingediend strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
2. In cassatie dient ervan te worden uitgegaan (zie r.o. 2 van het arrest van het hof) dat de schuldenlast van [verzoeker] in totaal Euro 43.450,17 bedraagt. Een aanzienlijk deel daarvan, ruim Euro 24.000,-, betreft een schuld aan de CMV Bank. Voorts is er een schuld aan Prime Line van ca. Euro 6000,- en heeft een bedrag van ca. Euro 9.200,- betrekking op zes schulden aan verschillende telefoonmaatschappijen.
3. De rechtbank heeft bij vonnis van 23 december 2005 het verzoek afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat [verzoeker] ten aanzien van de schulden niet te goeder trouw is geweest, omdat hij die zeer lichtvaardig is aangegaan.
4. [Verzoeker] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, doch tevergeefs: bij arrest van 23 maart 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
5. Het hof was met de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] in de zin van art. 288 lid Pro 2, aanhef en onder b, Fw niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden, aangezien hij die zeer lichtvaardig is aangegaan. Het hof overwoog onder meer (r.o. 5):
"[Verzoeker] heeft zijn stelling, dat het grootste gedeelte van zijn schuldenlast is ontstaan doordat derden van hem zouden hebben geprofiteerd, op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Dat hij de leningen bij de CMV Bank ten behoeve van een derde is aangegaan heeft hij niet met enig schriftelijk stuk kunnen onderbouwen. Ook is onduidelijk gebleven wanneer [verzoeker] de kredieten bij de CMV Bank en Prime Line is aangegaan en waarvoor het geld van deze kredieten is gebruikt. [Verzoeker] heeft ook geen enkel inzicht gegeven in het verloop van voornoemde schulden. Zelfs indien het zo zou zijn dat [verzoeker] de lening bij de CMV Bank voor een ander zou zijn aangegaan en dat derden van hem hebben geprofiteerd, dan moet, gezien de omvang van de schulden en het feit dat hij wel erg gemakkelijk van zich heeft laten profiteren, toch worden geoordeeld dat hij de schulden, althans een of meer daarvan, niet te goeder trouw is aangegaan."
6. [Verzoeker] is tegen het arrest van het hof (tijdig; zie art. 292 lid 4 Fw Pro) in cassatie gekomen met één middel.
7. Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat [verzoeker] in de zin van art. 288 lid Pro 2, aanhef en onder b, Fw niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden.
8. Zie ik het goed, dan komt het middel niet op tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4 - omtrent het bij de toepassing van art. 288 lid Pro 2, aanhef en onder b, FW aan te leggen maatstaf (en zulks terecht niet: zie bijv. HR 24 december 2004, NJ 2005, 129 en HR 27 oktober 2006, NJ 2006, 586), doch bestrijdt het middel 's hofs oordeel dat [verzoeker] zijn stelling, dat het grootste gedeelte van zijn schuldenlast is ontstaan doordat derden van hem zouden hebben geprofiteerd, op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt. Volgens het middel heeft [verzoeker] duidelijk gesteld dat hij de schulden heeft aangegaan doch dat de feitelijke schuldenaren derden waren en dat dit in goed vertrouwen is geschied, zodat [verzoeker] het niet te goeder trouw zijn niet moet kunnen worden toegerekend.
9. Het middel zal niet tot cassatie kunnen leiden.
10. Het oordeel van het hof dat [verzoeker] zijn bedoelde stelling op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt, berust op een aan het hof als feitenrechter voorbehouden beoordeling van de processtukken en van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht. Het oordeel van het hof kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden met de stelling dat een andere beoordeling juist of mogelijk is.
11. Bovendien verliest het middel uit het oog dat het hof heeft geoordeeld dat, zelfs indien het zo zou zijn dat [verzoeker] de lening bij de CMV Bank voor een ander zou zijn aangegaan en dat derden van hem hebben geprofiteerd, dan toch, gezien de omvang van de schulden en het feit dat hij wel erg gemakkelijk van zich heeft laten profiteren, geoordeeld moet worden dat hij de schulden, althans een of meer daarvan, niet te goeder trouw is aangegaan. Deze overweging is in cassatie niet bestreden en kan het oordeel van het hof dat het verzoek om toepassing van de schuldsaneringregeling niet kan worden toegewezen, zelfstandig dragen. Het middel strandt derhalve reeds op gebrek aan belang.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden